ECLI:NL:GHARN:2009:BI0990

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
10 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-000384-08
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 onder a Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs van bewustzijn van letsel na verkeersongeval

Verdachte werd beschuldigd van het door- of wegrijden na een verkeersongeval waarbij een snorfietsbestuurder letsel en schade had opgelopen. Op 2 augustus 2007 was verdachte als rij-instructeur betrokken bij een ongeval waarbij een leerling een snorfiets over het hoofd zag. Verdachte greep in en bracht de lesauto bijna tot stilstand. De snorfietsbestuurder kon aanvankelijk haar weg vervolgen, maar viel enkele meters verder ten gevolge van een eerdere uitwijkmanoeuvre.

Verdachte en zijn leerling verlieten de plaats van het ongeval, maar hadden niet gezien dat de snorfietsbestuurder was gevallen. Verdachte verklaarde dat hij alleen had gezien dat de snorfietsbestuurder moest uitwijken, maar dat zij haar weg kon vervolgen. Hij heeft ook niet geprobeerd zich snel uit de voeten te maken en bleef zelfs enige tijd in de buurt. Ook interpreteerde hij claxonneren van andere weggebruikers als een groet.

Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat er letsel of schade was toegebracht. Daarom sprak het hof verdachte vrij van het ten laste gelegde feit van doorrijden na een ongeval met letsel of schade.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat letsel of schade was toegebracht.

Uitspraak

Parketnummer: 24-000384-08
Parketnummer eerste aanleg: 07-480708-07
Arrest van 10 april 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 februari 2008 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1968] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. H. Durdu, advocaat te Rotterdam.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van het hem ten laste gelegde.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 augustus 2007 in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [straat 1] en/of de [straat 2], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht.
Vrijspraak
Verdachte wordt - zakelijk weergegeven - verweten dat hij na betrokkenheid bij een verkeersongeval, waarbij naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden letsel en/of schade aan een ander het gevolg is geweest, is door- of weggereden.
Verdachte heeft als rij-instructeur op 2 augustus 2007 te [plaats] een personenauto onder zijn onmiddellijk toezicht doen besturen. Toen de feitelijke bestuurder van de lesauto op de kruising van de [straat 1] en De [straat 2] naar rechts wilde afslaan, heeft de leerling hierbij een rechts op de parallel weg rijdende bestuurder van een snorfiets over het hoofd gezien. Op dat moment heeft verdachte ingegrepen en de auto (nagenoeg) tot stilstand gebracht. Nadat de bestuurder van de snorfiets de lesauto had ontweken, heeft zij in eerste instantie haar weg kunnen vervolgen. Enkele meters verder is zij echter, ten gevolge van de eerdere uitwijkmanoeuvre, ten val gekomen, waarbij bij haar letsel en schade is ontstaan. Verdachte en zijn leerling hebben hun weg vervolgd.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting van het hof is gebleken dat zowel verdachte als de leerling nimmer hebben gezien dat de bestuurder van de snorfiets is gevallen. Verdachte heeft verklaard slechts te hebben gezien dat de bestuurder van de snorfiets heeft moeten uitwijken voor de lesauto, maar zij heeft haar weg kunnen vervolgen. Verdachte heeft daarna vorenomschreven ingreep met zijn leerling besproken en zij zijn rustig verder gereden. Evenmin is gebleken dat verdachte na het ongeval heeft getracht zich snel uit de voeten te maken. Verdachte heeft zich met zijn leerling zelfs nog geruime tijd in de buurt van de plaats waar het voorval zich heeft voorgedaan, opgehouden. Voorts heeft verdachte aannemelijk gemaakt dat hij de alarmeringen van andere weggebruikers niet heeft begrepen als zijnde waarschuwingen. Nu verdachte een grote klandizie heeft opgebouwd als rijschoolhouder en zijn auto door een bord op het dak als zodanig te herkennen is, heeft hij het claxonneren opgevat als een groet in zijn richting.
Gelet op het bovenstaande kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan de bestuurder van de snorfiets letsel en/of schade was toegebracht. Derhalve zal het hof verdachte vrijspreken van het hem ten laste gelegde.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mr. P.J.M. van den Bergh en mr. W.F. van Zant, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mr. Van Zant voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.