ECLI:NL:GHARN:2009:BI1728
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid verzekeringnemer tot tussentijdse opzegging verzekeringsovereenkomst volgens artikel 7:940 lid 3 BW
Het geschil betreft de uitleg van artikel 7:940 lid 3 BW Pro, waarin wordt geregeld dat de verzekeringnemer een gelijke opzeggingsbevoegdheid heeft als de verzekeraar, met uitzondering van de laatste volzin die beperkingen oplegt aan de verzekeraar. De appellant had zijn verzekering tussentijds opgezegd tegen de eerstvolgende premievervaldatum, maar de verzekeraar weigerde deze opzegging te accepteren.
De rechtbank had de verzekeraar in het gelijk gesteld, stellende dat de beperking uit de laatste volzin van artikel 7:940 lid 3 BW Pro ook voor de verzekeringnemer geldt, zodat tussentijdse opzegging zonder gegronde reden niet mogelijk is. Het hof stelt zich hiertegen op het standpunt dat deze beperking niet voor de verzekeringnemer geldt, wat volgt uit de tekst, wetsgeschiedenis en het beoogde beschermingsdoel van de wetgever.
Het hof benadrukt dat de wetgever de verzekeringnemer meer bescherming wil bieden dan de verzekeraar en dat gelijke opzeggingsmogelijkheden niet noodzakelijk gelijk moeten zijn. Tevens wijst het hof op het toetsingskader van redelijkheid en billijkheid bij het gebruik van opzeggingsbevoegdheden. De zaak wordt aangehouden voor nadere memoriewisseling over de subsidiaire stelling van de verzekeraar dat opzegging onaanvaardbaar zou zijn.
Het arrest is gewezen door het Gerechtshof Arnhem op 31 maart 2009 en bevestigt dat de verzekeringnemer bevoegd is tot tussentijdse opzegging zonder dat de beperking uit de laatste volzin van artikel 7:940 lid 3 BW Pro op hem van toepassing is.
Uitkomst: De verzekeringnemer is bevoegd tot tussentijdse opzegging van de verzekeringsovereenkomst zonder dat de beperking uit de laatste volzin van artikel 7:940 lid 3 BW op hem van toepassing is.