ECLI:NL:GHARN:2009:BI9007

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
12 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.012.130
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.P.M. van den Dungen
  • G.J. Rijken
  • M.J. van Zutphen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:397 BWArt. 295 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof vernietigt alimentatiebeslissing en stelt bijdrage vader in verzorgingskosten kinderen nihil

In deze zaak stond de alimentatieverplichting van de man jegens zijn minderjarige kinderen centraal. Het hof Arnhem behandelde het hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Zutphen waarin de man een bijdrage van €112,50 per kind per maand moest betalen.

De rechter-commissaris in faillissementen had geoordeeld dat het vrij te laten bedrag in het kader van de schuldsanering niet verhoogd kon worden met kosten voor de verzorging van de kinderen, omdat de man niet over voldoende draagkracht beschikte. De vrouw voerde aan dat er bijzondere omstandigheden waren en dat de man onvoldoende bewijs had geleverd van betaling van woonlasten en ziektekostenverzekering, die mogelijk door haar nieuwe partner werden voldaan.

Het hof oordeelde dat de man geen draagkracht heeft om alimentatie te betalen en dat het feit dat een derde woonlasten en ziektekosten betaalt, hieraan niets afdoet. Het aanbod van de man om een gering bedrag aan kinderalimentatie te betalen werd niet als bindende afspraak gezien. Daarom vernietigde het hof de eerdere beschikking en stelde de alimentatieverplichting per 1 januari 2008 vast op nihil.

Uitkomst: De bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn minderjarige kinderen wordt per 1 januari 2008 vastgesteld op nihil.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.012.130
(zaaknummer rechtbank 90207 FARK 07-2203)
beschikking van de familiekamer van 12 mei 2009
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen “de man”,
advocaat: mr. W.D. Huizinga,
tegen:
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen “de vrouw”,
advocaat: mr. A.H. Kiesouw.
1. De voortzetting van het geding in hoger beroep
1.1 Voor het verloop van de zaak tot 28 januari 2009 verwijst het hof naar de tussen partijen gegeven tussenbeschikking van die datum.
1.2 In vervolg op die tussenbeschikking is ter griffie van het hof op 20 maart 2009 een brief met twee bijlagen van de advocaat van de man ontvangen. Bij brief van 25 maart 2009 heeft de vrouw daarop gereageerd.
1.3 Daarna is beschikking bepaald op heden.
2. De verdere motivering van de beslissing
2.1 Bij de vermelde tussenbeschikking heeft het hof bepaald dat de man het hof, met kopie aan de vrouw, vóór 24 maart 2009 schriftelijk bericht over de uitkomst van het in die beschikking onder 4.3 en 4.4 omschreven verzoek. De vrouw is in de gelegenheid gesteld daarop uiterlijk 4 april 2009 te reageren.
2.2 De onder 1.2 aangehaalde brief van de advocaat van de man verwijst naar een daarbij gevoegde brief van de rechter-commissaris in faillissementen in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 februari 2009, waarin deze aan drs. P. Kranen, de bewindvoerder van de man, bericht in het belang van de gezamenlijke crediteuren geen aanleiding te zien het vrij te laten bedrag ex artikel 295 Faillissementswet Pro te verhogen met de kosten van verzorging van de minderjarige kinderen. De rechter-commissaris merkt daarbij op dat dit anders kan zijn indien RECOFA (landelijk overleg rechters-commissarissen in faillissementen) richtlijnen vaststelt die een dergelijke aanpassing voorstaan, alsmede dat daarvan op dit moment (nog) geen sprake is.
2.3 De vrouw heeft bij de aangehaalde brief van 25 maart 2009 -zakelijk weergegeven- bericht dat er bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding zouden kunnen geven van de RECOFA-richtlijnen af te wijken. Zij verwijst daarbij naar alinea 4 van de bestreden beschikking en naar haar verweerschrift in hoger beroep, in het bijzonder naar het ontbreken van bewijsstukken van de betaling van de woonlasten en van een premie ziektekostenverzekering door de man. De vrouw houdt het er daarom voor dat deze lasten door de nieuwe partner van de vrouw worden betaald. De vrouw haalt aan dat de man ter mondelinge behandeling een gering bedrag aan alimentatie heeft aangeboden.
2.4 Uit het voorgaande volgt dat de rechter-commissaris er niet toe is overgegaan in het vrij te laten bedrag een component op te nemen voor de voldoening van de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van de kinderen. Aangenomen moet daarom worden dat de man niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbijdragen te betalen. Dat de vrouw het ervoor houdt dat een derde, te weten de partner van de man, woonlasten en de premie ziektekosten ten behoeve van de man voldoet doet aan voornoemd uitgangspunt niet af.
2.5 De vrouw heeft in haar brief van 25 maart 2009 nog aangehaald dat de man een aanbod heeft gedaan tot betaling van een gering bedrag aan kinderalimentatie. Dat aanbod is evenwel gedaan in het kader van een meeromvattende regeling, waarvan deel uitmaakte dat de vrouw niet langer aanspraak zou maken op de voldoening van de toen bestaande achterstand in alimentatie. Daarop is de vrouw niet ingegaan. Bij die stand van zaken is van een voor vastlegging in deze beschikking vatbare afspraak tussen partijen geen sprake.
2.6 Het hof ziet met betrekking tot de ingangsdatum van de nihilstelling geen aanleiding deze eerder te doen ingaan dan de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoek in eerste aanleg, dat wil zeggen 1 januari 2008.
3. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als na te melden.
4. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 20 mei 2008, en opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 16 mei 2002, voor zover daarbij is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2] aan de vrouw zal betalen de som van € 112,50 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en stelt de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde kinderen met ingang van 1 januari 2008 vast op nihil;
wijst hetgeen meer of anders is verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.P.M. van den Dungen, G.J. Rijken en M.J. van Zutphen, bijgestaan door S. van Eijk als griffier, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2009.