ECLI:NL:GHARN:2009:BJ4214
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- J.P. Fokker
- H. van Loo
- W. Duitemeijer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsovereenkomst versus overeenkomst van opdracht tussen distributeur en PCM Distributiebedrijf B.V.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar overeenkomst met GBB C.V. als arbeidsovereenkomst moest worden gekwalificeerd en dat deze overeenkomst op grond van artikel 7:662 BW Pro was overgegaan op PCM Distributiebedrijf B.V. PCM stelde dat er sprake was van een overeenkomst van opdracht die rechtsgeldig was beëindigd door GBB C.V. per 14 oktober 2005 en dat zij geen rechtsopvolger was van GBB C.V.
Het hof onderzocht de feitelijke en juridische aard van de overeenkomst. De overeenkomst was expliciet als een overeenkomst van opdracht aangeduid, waarbij distributeurs hun werkzaamheden zelfstandig konden indelen, zonder een gezagsverhouding die verder ging dan het stellen van randvoorwaarden. Appellante kon zich laten vervangen en ontving geen loon bij ziekte, wat wijst op geen arbeidsovereenkomst.
Het hof concludeerde dat het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:610a BW door PCM was ontzenuwd. Er was geen sprake van een persoonlijke arbeidsverplichting, geen instructiebevoegdheid die verder ging dan het stellen van voorwaarden, en ook geen loonbetaling bij ziekte. De overeenkomst was derhalve een overeenkomst van opdracht.
Omdat de overeenkomst van opdracht rechtsgeldig was beëindigd, kon PCM niet als rechtsopvolger worden aangemerkt. Het hoger beroep van appellante werd daarom verworpen en zij werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen; de overeenkomst betreft een overeenkomst van opdracht en PCM is geen rechtsopvolger van GBB C.V.