ECLI:NL:GHARN:2009:BK1759

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
20 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-00022
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inkomstenbelasting en landbouwvrijstelling: geschil over aanslag 1998

In deze zaak gaat het om een geschil tussen belanghebbende en de Inspecteur van de Belastingdienst over de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998. De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslag, die na dit bezwaar door de Inspecteur was verminderd. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage had eerder de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verder verminderd. Deze uitspraak werd echter door de Hoge Raad vernietigd, waarna de zaak werd verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam. Dit hof verklaarde het beroep van de belanghebbende gegrond en vernietigde de uitspraak van de Inspecteur opnieuw.

De staatssecretaris van Financiën ging in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, maar de Hoge Raad vernietigde deze uitspraak en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem. Tijdens de zitting op 15 september 2009 werd het geschil tussen partijen besproken, waarbij de mogelijkheid werd geboden om tot een schikking te komen. Uiteindelijk bereikten partijen overeenstemming over de toepassing van de landbouwvrijstelling op een perceel dat door belanghebbende was onttrokken aan zijn ondernemingsvermogen.

Het Gerechtshof heeft in zijn uitspraak op 20 oktober 2009 het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van € 36.704. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.519. Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden, waarbij specifieke vereisten voor het indienen van het beroepschrift in acht moeten worden genomen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector belastingrecht
nummer 09/00022
uitspraakdatum: 20 oktober 2009
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het beroep van
X te Z (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van
de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verder verminderd.
1.2. De uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage is op het beroep van de staatssecretaris van Financiën bij arrest van de Hoge Raad van 29 april 2005, nr. 40426, BNB 2005/210, vernietigd. De Hoge Raad heeft het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verder verminderd.
1.3. De staatssecretaris van Financiën heeft ook tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij het arrest van 16 januari 2009, nr. 43048, BNB 2009/61, de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam vernietigd en het geding verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.
1.4. Tot de stukken van het geding behoren het van de Hoge Raad ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft. Hoewel daartoe door het Hof uitgenodigd, hebben partijen geen conclusie na verwijzing ingezonden.
1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2009 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn dochter, alsmede de Inspecteur.
2. De vaststaande feiten
Voor de feiten verwijst het Hof naar de door de Gerechtshoven te ’s-Gravenhage en Amsterdam vastgestelde feiten.
3. Het geschil en de standpunten van partijen
3.1. Tussen partijen is in geschil de toepassing en de omvang van de landbouwvrijstelling op de onttrekking aan belanghebbendes ondernemingsvermogen van het door partijen als de "bouwkop" aangeduide perceel.
3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. Ter zitting heeft het Hof partijen een mogelijkheid voorgehouden om het geschil te beslechten, waarna het onderzoek ter zitting is gesloten. De gemachtigde van belanghebbende heeft een brief van de Inspecteur van 17 september 2009 voor akkoord ondertekend. Deze voor akkoord ondertekende brief heeft de gemachtigde op 9 oktober 2009 aan het Hof gefaxt. Uit de brief volgt dat partijen ter beëindiging van hun geschil overeenstemming hebben bereikt. Van de in het jaar 1998 behaalde winst wordt een bedrag van ƒ 11.000 alsnog onder de toepassing van de landbouwvrijstelling gebracht. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat het belastbare inkomen op ƒ 80.885 moet worden vastgesteld.
4.2. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
slotsom
Het beroep van belanghebbende is gegrond.
5. Proceskosten
Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ter zake van de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 3 (punten per proceshandeling voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te weten: beroepschrift Gerechtshof te ’s-Gravenhage + verschijnen ter zitting Gerechtshof te ’s-Gravenhage + verschijnen ter zitting Gerechtshof te Amsterdam) x € 322 x 1,5 (gewicht van de zaak) is € 1.449. De kosten van belanghebbende voor het verschijnen ter zitting van de Gerechtshoven te ’s-Gravenhage en Amsterdam en dit Hof berekent het Hof, nu andere kosten zijn gesteld noch gebleken, in goede justitie op € 70 voor reis- en verblijfkosten.
6. Beslissing
Het Gerechtshof:
- verklaart het beroep van belanghebbende gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur;
- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van € 36.704 (ƒ 80.885), en
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.519.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. H. Lamens en mr. J.P.M. Kooijmans, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.
De beslissing is op 20 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(A. Vellema) (R.F.C. Spek)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.