8. Volgens Brouwer heeft [geïntimeerde] geen recht op het door de kantonrechter toegewezen loon over de periode vanaf 6 oktober, althans 1 november 2007, tot 1 december 2007. Daartoe voert zij met haar grieven 1, 4 en 5 primair aan dat geen sprake was van ziekte of bereidheid tot werken en subsidiair, indien al sprake was van verhindering door ziekte, dat de loondoorbetalingsplicht dan beperkt is tot de contractueel overeengekomen 70% van het loon.
8.1 Brouwer heeft als bijlage 5 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg een terugkoppelingsrapport gevoegd waaruit blijkt dat de verzuimcontroleur na huisbezoek aan [geïntimeerde] op 5 oktober 2007 diens ziekteklachten reëel oordeelde. Naar het oordeel van het hof heeft Brouwer, ook met hetgeen hij ter toelichting op grief 3 onder punt 19 heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] zich ten onrechte niet eerder hersteld heeft gemeld dan per 29 oktober 2007, waarna hij is opgeroepen voor werk op 31 oktober 2007 en ook daadwerkelijk is verschenen. Daarmee gaat het hof in het kader van deze kort gedingprocedure uit van een loondoorbetalingsplicht tijdens ziekte van 6 tot 29 oktober 2007.
8.2 Voor de omvang van de loonvordering tijdens ziekte is van belang dat volgens het arbeidscontract tussen partijen dan 70% verschuldigd is. [geïntimeerde] heeft zich beroepen op zijns inziens toepasselijke, algemeen verbindend verklaarde, CAO's die tot volledige doorbetaling verplichten.
Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de CAO Zoetwarenindustrie van toepassing is, terwijl het hof heeft moeten vaststellen dat de CAO Levensmiddelenbedrijf tussen 1 april 2007 en 23 november 2008 niet algemeen verbindend is verklaard.
Aldus moet het er, in dit kort geding, voor worden gehouden dat slechts 70% verschuldigd is.
8.3 Vanaf 2 november 2007 heeft [geïntimeerde] niet meer gewerkt als gevolg van het arbeidsconflict tussen partijen. Volgens [geïntimeerde] heeft hij desondanks vanaf die datum recht op loon. In eerste aanleg heeft hij daartoe aangevoerd dat Brouwer hem niet tot zijn normale werk toeliet. In hoger beroep heeft hij daaraan toegevoegd dat hij, subsidiair, arbeidsongeschikt was wegens psychische klachten en meer subsidiair dat hij een opschortingsrecht had.
8.4 Het hof verwerpt de subsidiaire grondslag. Uit de onder 1.4 genoemde stukken blijkt niet van arbeidsongeschiktheid door ziekte. Door [geïntimeerde] is voorts bij zijn loonvordering in eerste aanleg ook geen deskundigenverklaring als bedoeld in art. 7:629a BW gevoegd.
8.5 Voor zover het meer subsidiair gedane beroep op een opschortingsrecht al gegrond is wegens klachten omtrent loonbetaling, mag dat [geïntimeerde] niet baten. Hij heeft voor het eerst in appel hierop een beroep gedaan, terwijl hij reeds op 29 oktober 2007 zijn loonvordering in kort geding aanhangig had gemaakt waarin hij zich op het standpunt stelde arbeidsongeschikt te zijn, maar de werkzaamheden na herstel weer te zullen oppakken. Het beroep op een opschortingsrecht is dan ook tardief, wat er verder ook zij van dit beroep.
8.6 Het zwaartepunt van het conflict wordt gevormd door het feit dat Brouwer meende redenen te hebben om [geïntimeerde] niet zonder meer te werk te stellen in de winkel te Almere, terwijl [geïntimeerde] weigerde elders te werken en zich onjuist behandeld voelde.
Het hof stelt voorop dat de werkgever een instructiebevoegdheid toekomt, die hij als goed werkgever binnen redelijke grenzen dient te gebruiken. Van een goed werknemer kan onder omstandigheden verlangd worden dat hij bereid is tijdelijk elders te werken als dat nodig is voor herstel van verstoorde arbeidsverhoudingen.
Partijen maken elkaar over en weer verwijten. Onder verwijzing naar HR 27 juni 2008, JAR 2008/188 overweegt het hof dat, wanneer de werknemer stelt dat hij ten gevolge van een verstoorde arbeidsverhouding zijn werk niet kan verrichten, hij ion beginsel gehouden is alle medewerking te verlenen aan inspanningen die erop gericht zijn de oorzaken daarvan weg te nemen. In deze kort gedingprocedure, die zich niet voor nader onderzoek leent, oordeelt het hof het vooralsnog niet zozeer waarschijnlijk dat de bodemrechter te zijner tijd tot de beslissing zal komen dat [geïntimeerde] oproepen voor werk in Lelystad mocht weigeren, dat vooruitlopend daarop het loon vanaf 2 november 2007 moet worden doorbetaald.
8.7 Het voorgaande heeft tot gevolg dat de grieven 1 en 4 (gedeeltelijk) gegrond zijn.