ECLI:NL:GHARN:2009:BL2065
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- J.P. Fokker
- I.A. Katz-Soeterboek
- M.L. van der Bel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaam gebruik en bewijsvermoeden bij beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte
In deze zaak stond centraal of de verhuurder het gehuurde binnen een jaar na het einde van de huurovereenkomst duurzaam in gebruik had genomen, zoals bedoeld in artikel 7:299 lid 2 BW Pro. De huurovereenkomst betrof een bedrijfsruimte met bovenwoning, die de huurder tot 1 november 2004 gebruikte. De verhuurder stelde dat hij het pand verbouwd had en vanaf oktober 2005 een kunstgalerie exploiteerde, wat duurzaam gebruik zou zijn.
De huurder betwistte dit en voerde aan dat de verbouwingen slechts bedoeld waren om het pand te verhuren en dat de verhuurder het pand niet daadwerkelijk persoonlijk in gebruik had genomen. Het hof stelde vast dat de verhuurder het pand deels persoonlijk in gebruik had genomen binnen de termijn van een jaar, onder meer door het exploiteren van een kunstgalerie en het laten bewonen door zijn zoon. Ook tijdelijke verhuur aan derden werd als overbrugging gezien.
Het hof concludeerde dat het bewijsvermoeden van artikel 7:299 lid 2 BW Pro niet van toepassing was, omdat het pand binnen een jaar duurzaam in gebruik was genomen. De huurder had onvoldoende feiten gesteld om aan te tonen dat de verhuurder niet de wil had het pand persoonlijk duurzaam te gebruiken. Daarom werd het incidenteel hoger beroep van de verhuurder toegewezen en het principaal hoger beroep van de huurder afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van de huurder af en bevestigt dat de verhuurder het gehuurde binnen een jaar duurzaam in gebruik heeft genomen.