ECLI:NL:GHARN:2010:BL6286

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
2 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-001808-07
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 57 SrArt. 225 SrArt. 65 Algemene BijstandswetArt. 17 Wet Werk en Bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep uitkeringsfraude met toepassing artikel 9a Sr wegens hersenbloeding

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor uitkeringsfraude door het valselijk opmaken en vervalsen van formulieren van de afdeling Werk en Inkomen, waarbij hij onjuiste informatie gaf over zijn woonsituatie en samenwoning. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan.

Het hof achtte bewezen dat verdachte in de periode van december 2004 tot juni 2006 meerdere formulieren valselijk had ingevuld met het oogmerk deze als echt te gebruiken. Verdachte had nagelaten wijzigingen in zijn persoonlijke gezinssituatie en woonsituatie te melden, wat van belang was voor de hoogte en voortzetting van zijn uitkering.

Uit een rapport van een maatschappelijk werkster bleek dat verdachte in januari 2008 een hersenbloeding had gehad, met ernstige gevolgen voor zijn functioneren, waaronder incontinentie en geheugenproblemen. Hij woonde sindsdien in een instelling voor niet-aangeboren hersenletsel. Gezien deze omstandigheden paste het hof artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe, waardoor geen straf of maatregel werd opgelegd.

Het hof verklaarde het ten laste gelegde primair bewezen en strafbaar, sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen en legde geen straf op. Hiermee werd het vonnis van de politierechter vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard.

Uitkomst: Verdachte wordt schuldig verklaard aan uitkeringsfraude maar geen straf opgelegd vanwege zijn fysieke en psychische gesteldheid op grond van artikel 9a Sr.

Uitspraak

Parketnummer: 24-001808-07
Parketnummer eerste aanleg: 07-910018-06
Arrest van 2 maart 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juni 2007 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1954] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], 1e [adres],
niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsvrouw van verdachte mr. E. Lucas, advocaat te Lelystad.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
De raadsvrouw van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd, zonder oplegging van straf of maatregel.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - overeenkomstig de dagvaarding met daarin aangebracht de wijzigingen die in hoger beroep zijn toegelaten - ten laste gelegd, dat:
hij in of omstreeks de periode van 2 december 2004 tot en met 6 juni 2006 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geschrift, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten (telkens) een formulier van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente [gemeente], waarop opgegeven moest worden (onder meer) of er in de op het formulier genoemde periode wijzigingen waren geweest in de persoonlijke gezinssituatie en/of woonsituatie (van verdachte) - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk niet vermeld dat hij samenwoonde met [betrokkene] en/of heeft verdachte (telkens) valselijk niet vermeld dat hij woonde op het adres [adres] te [woonplaats] en/of heeft verdachte telkens verklaard dat hij geen omstandigheden heeft verzwegen die van belang (zouden kunnen) zijn voor de voortzetting en/of de hoogte van de uitkering en/of (telkens) dat formulier ondertekend, (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 2 december 2004 tot en met 6 juni 2006 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingverplichting op grond van artikel 65 van Pro de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van Pro de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten zijn, verdachte's, recht op een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte niet gemeld dat hij samenwoonde en/of een gezamenlijke huishouding voerde met [betrokkene].
Bewezenverklaring
Het hof acht bewezen dat:
hij in de periode van 2 december 2004 tot en met 6 juni 2006 in de gemeente [gemeente], meermalen, een geschrift, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten een formulier van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente [gemeente], waarop opgegeven moest worden onder meer of er in de op het formulier genoemde periode wijzigingen waren geweest in de persoonlijke gezinssituatie en woonsituatie van verdachte - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk niet vermeld dat hij samenwoonde met [betrokkene] en heeft verdachte valselijk niet vermeld dat hij woonde op het adres [adres] te [woonplaats] en heeft verdachte verklaard dat hij geen omstandigheden heeft verzwegen die van belang (zouden kunnen) zijn voor de voortzetting of de hoogte van de uitkering en dat formulier ondertekend, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
primair
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid
Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.
Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht
Het hof overweegt met betrekking tot de persoon van de verdachte het volgende.
Uit het door maatschappelijk werkster L. Nauta op 11 januari 2010 opgemaakte rapport volgt dat verdachte op 26 januari 2008 een hersenbloeding heeft gehad. Ten gevolge hiervan is verdachte sinds 16 februari 2009 woonachtig in de instelling 'La Touche'. Dat is een woonvorm voor mensen met een niet aangeboren hersenletsel. Uit bovengenoemd rapport blijkt, dat verdachte onder meer incontinent is en zeer veel last heeft van zijn kortetermijngeheugen en zijn desoriëntatie. Verdachte is niet in staat zelfstandig te functioneren.
Gelet op de informatie omtrent verdachtes fysieke (en psychische) gesteldheid zoals die blijkt uit bovengenoemd rapport en gelet op hetgeen de raadsvrouw van verdachte hieromtrent ter zitting van het hof naar voren heeft gebracht, is het hof - met de raadsvrouw en de advocaat-generaal - van oordeel dat, toepassing dient te worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte als voormeld primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;
bepaalt dat aan [verdachte] geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Lam?ris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van A.L.H. Wilkens als griffier, zijnde mr. M. Lolkema buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
-