ECLI:NL:GHARN:2010:BL7297

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
11 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-003132-08
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet milieubeheerWet op de economische delicten
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs verbranden afvalstoffen zonder geldige milieuvergunning

Verdachte werd beschuldigd van het in strijd met een voorschrift van zijn milieuvergunning verbranden van afvalstoffen op het erf van zijn agrarische bedrijf. De tenlastelegging betrof het overtreden van voorschrift 4.3, dat verbranding van afvalstoffen op het terrein verbiedt.

Tijdens het hoger beroep oordeelde het hof dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat het voorschrift daadwerkelijk onderdeel uitmaakt van de voor verdachte geldende oprichtingsvergunning. Het procesdossier bevatte geen aanwijzingen dat de vergunning van 28 april 1998 een oprichtingsvergunning betrof, zoals gesteld in de tenlastelegging.

De verklaring van verdachte bevestigde dat het niet om een oprichtingsvergunning ging. Gezien het ontbreken van bewijs sprak het hof verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten en vernietigde het vonnis van de politierechter.

Het arrest werd gewezen door het Gerechtshof Arnhem op 11 maart 2010, waarbij het hof het vonnis vernietigde en opnieuw recht deed door verdachte vrij te spreken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat het overtreden voorschrift onderdeel is van de geldende milieuvergunning.

Uitspraak

Parketnummer: 24-003132-08
Parketnummer eerste aanleg: 07-994549-08
Arrest van 11 maart 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 december 2008 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1944] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon.
Het vonnis waarvan beroep
De economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem ten laste gelegde tot een geldboete van € 520,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door tien dagen hechtenis.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
hij op of omstreeks 12 oktober 2007 in de gemeente [gemeente], terwijl aan verdachte door Burgemeester en Wethouders van de gemeente [gemeente] bij besluit van 28 april 1998 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente aan of nabij de [straat] te [plaats] oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 8.1 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (melkrundveehouderij), in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlage I van voornoemd besluit, zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met voorschrift 4.3 van die vergunning, aangezien afvalstoffen, te weten papier en/of tapijt en/of snoeiafval en/of huishoudelijk afval, op het bij de inrichting behorende (open) terrein, werden verbrand.
Vrijspraak
Verdachte wordt verweten - kort gezegd - dat hij zich al dan niet opzettelijk in strijd met een voorschrift verbonden aan een voor zijn inrichting bij besluit van 28 april 1998 krachtens de Wet milieubeheer verleende oprichtingsvergunning heeft gedragen. Verdachte heeft namelijk op 12 oktober 2007 afvalstoffen op het bij zijn inrichting behorende (open) terrein verbrand.
Vast staat dat verdachte op 12 oktober 2007 op het erf van zijn agrarische bedrijf gevestigd aan de [straat] te [plaats] verschillende afvalstoffen in een ton heeft verbrand. In het procesdossier bevindt zich een overzicht van - een deel van - de voorschriften die behoren bij een beschikking betreffende de inrichting van verdachte. Het voorschrift onder 4.3 luidt: "Afvalstoffen mogen niet in de inrichting, met in begrip van het bij de inrichting behorende open terrein, worden verbrand."
Uit het procesdossier blijkt echter niet dat bovengenoemd voorschrift behoort bij de in de tenlastelegging omschreven vergunning, kort gezegd de oprichtingsvergunning. Uit het milieuproces-verbaal blijkt slechts dat uit navraag bij de gemeente [gemeente] is gebleken dat op 28 april 1998 een milieuvergunning voor een melkrundvee- en fokvarkenshouderij aan verdachte is verleend. Uit de op het overzicht van voorschriften aangebrachte stempel - inhoudende (onder meer) "behoort bij besluit van burgemeesters en wethouders van [gemeente] d.d. 28 april 1998" - concludeert het hof dat deze voorschriften kennelijk behoren bij vorengenoemde - in het dossier niet nader aangeduide - milieuvergunning. In het procesdossier is geen enkel aanknopingspunt te vinden voor het standpunt van de steller van de tenlastelegging dat de bij besluit van
28 april 1998 verleende vergunning een oprichtingsvergunning betreft. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat het hier geen oprichtingsvergunning voor zijn inrichting aan de [straat] te [plaats] betreft, onderstreept de door het hof getrokken conclusie.
Gelet op bovenstaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich in heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan de in de tenlastelegging omschreven (oprichtings)vergunning. Om die reden zal het hof verdachte vrijspreken van het hem ten laste gelegde.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. J.H. Bosch, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.