Het huwelijk van partijen is ontbonden en de man is verplicht tot betaling van partneralimentatie aan de vrouw. De man verzocht de rechtbank om deze alimentatie met ingang van 1 januari 2008 op nihil te stellen vanwege gewijzigde omstandigheden.
De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de man hoger beroep instelde. Het hof Arnhem bevestigde de beslissing van de rechtbank. De vrouw heeft een netto behoefte van € 2.234,- per maand, terwijl haar huidige netto-inkomen uit een deeltijdbaan als secretaresse € 1.496,- bedraagt.
Hoewel de man stelde dat de vrouw fulltime zou kunnen werken, achtte het hof dit geen reële mogelijkheid vanwege haar gezondheid, leeftijd en het feit dat zij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft. Ook het aanbod van de man om fulltime bij zijn kantoor te werken werd als niet reëel beoordeeld.
Het hof stelde de resterende behoefte van de vrouw vast op circa € 738,- netto per maand en bekrachtigde daarmee de eerdere beschikking die de alimentatieverplichting van de man handhaafde.
Uitkomst: De partneralimentatieverplichting van de man jegens de vrouw wordt gehandhaafd wegens onvoldoende verdiencapaciteit van de vrouw.
Uitspraak
Beschikking d.d. 8 april 2010
Zaaknummer 200.035.192
HET GERECHTSHOF ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden
Beschikking in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.B. Streefkerk, kantoorhoudende te Almere,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J.A. Wesdorp, kantoorhoudende te Almere.
Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 6 mei 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, het verzoek van de man tot wijziging van de aan hem bij beschikking van het hof Arnhem van 23 november 2004 opgelegde alimentatieverplichting ten opzichte van de vrouw, afgewezen.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 25 mei 2009, heeft de man verzocht om die beschikking (hierna: de bestreden beschikking) te vernietigen en alsnog te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 januari 2008 dan wel een door het hof te bepalen datum wordt beëindigd dan wel, naar ter zitting is toegelicht, op nihil wordt gesteld.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 29 juli 2009, heeft de vrouw het verzoek bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief met bijlagen van 6 januari 2010 van mr. Streefkerk en een brief met bijlagen van mr. Wesdorp gedateerd 15 januari 2010.
Ter zitting van 28 januari 2010 is de zaak behandeld. Partijen zijn daarbij met hun advocaat verschenen.
De beoordeling
Feiten en achtergronden
1. Het huwelijk van partijen, gesloten te Amsterdam op [datum], is op
[datum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 31 maart 2004 in de registers van de burgerlijke stand.
2. Bij beschikking van het hof Arnhem van 23 november 2004 is de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie bepaald op € 1.070,- per maand, geïndexeerd naar 1 januari 2010 is dat afgerond € 1.207,- per maand.
3. Bij inleidend verzoekschrift van 4 juli 2008 heeft de man de rechtbank verzocht om de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2008 op nihil te stellen, waarbij is opgemerkt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden.
4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek afgewezen onder de overweging dat de vrouw nog steeds behoefte heeft aan de vastgestelde bijdrage in haar levensonderhoud.
5. De man kan zich in die beschikking niet vinden en heeft hoger beroep ingesteld.
De geschilpunten
6. De geschilpunten tussen partijen in hoger beroep betreffen de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie en de mate waarin zij zelf in die behoefte kan voorzien dan wel redelijkerwijs geacht kan worden daarin te voorzien.
7. Niet in geschil is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 BWPro die een hernieuwde beoordeling van de partneralimentatie rechtvaardigt. Voor wat betreft de ingangsdatum van een eventuele wijziging van de partneralimentatie ziet het hof geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt in zaken als de onderhavige en stelt deze op de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, in dit geval 4 juli 2008.
De overwegingen van het hof
8. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BWPro heeft een gewezen echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud, indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.
9. Met betrekking tot de grief van de man jegens de overweging in de bestreden beschikking dat hij de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie niet zou hebben bestreden, overweegt het hof dat de grief zelfstandige betekenis mist omdat partijen in hoger beroep de zaak opnieuw en desgewenst in volle omvang aan het hof voor kunnen leggen. Het aspect dat partijen verdeeld houdt is de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie dan wel haar behoeftigheid.
10. Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan een door de onderhoudsplichtige te betalen bijdrage wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past, daarbij gelet op de welstand zoals die tijdens het huwelijk bestond. Dit betekent doorgaans dat de behoefte aan partneralimentatie gelijk wordt gesteld aan 60 % van het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk, berekend op een wijze als nader omschreven in de Trema normen.
11. Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding af te wijken van dat uitgangspunt en neemt de berekening van de behoefte over zoals die is weergegeven in de beschikking waarvan wijziging is verzocht. In die berekening is de netto behoefte van de vrouw bepaald op € 1.980,- per maand, uitgaande van een netto gezinsinkomen per maand in de laatste periode van het huwelijk van € 3.700,- waarop een bedrag van € 400,- per maand in mindering is gebracht voor de uitgaven ten behoeven van het oudste kind van partijen. De man heeft thans deze reeds in 2004 vastgestelde behoefte onvoldoende bestreden. Het enkele stellen dat hij in 2004 de behoefte van de vrouw heeft betwist is daarvoor onvoldoende. Het hof zal derhalve van de destijds vastgestelde netto behoefte van € 1.980,- per maand uitgaan. Geïndexeerd naar 1 januari 2010 bedraagt de netto behoefte van de vrouw thans € 2.234,- per maand.
12. Op deze netto behoefte van de vrouw dienen de werkelijke eigen inkomsten dan wel de in redelijkheid te verwerven inkomsten in mindering te worden gebracht omdat die de behoefte aan partneralimentatie verminderen. Anders dan de man heeft bepleit, zal het hof voorbij gaan aan eventuele inkomsten uit vermogen aan de zijde van de vrouw omdat is gebleken dat zij dit vermogen hoofdzakelijk heeft verkregen uit de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning en de man van die opbrengst de andere helft heeft verkregen.
13. De vrouw is blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting thans voor vier dagen per week werkzaam als secretaresse voor een advocatenkantoor en ontvangt daarvoor blijkens de meest recente beschikbare salarisspecificatie betreffende de maand november 2009 een salaris van € 1.720,- bruto per maand.
14. Hoewel in de beschikking waarvan wijziging is verzocht onder meer is overwogen dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij fulltime gaat werken (en dat onzeker is op welke termijn zij daarin zal slagen), is het hof van oordeel dat uitbreiding van haar werkzaamheden op dit moment geen reële mogelijkheid is. In het bijzonder wijst het hof in dit verband op de door de vrouw overgelegde brief van haar werkgever van 28 september 2009 waaruit blijkt dat uitbreiding dan wel verandering van haar werkzaamheden thans niet tot de mogelijkheden behoort. Voorts heeft de vrouw een verklaring van haar huisarts overgelegd, gedateerd 23 juni 2009, waaruit blijkt dat haar gezondheid aan beperkingen onderhevig is. Voor zover de man - mede middels de overgelegde vacatures - heeft willen betogen dat er voldoende andere fulltime banen voor de vrouw beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt, wijst het hof erop dat de vrouw thans werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, zodat een eventuele overstap naar een andere werkgever de nodige financiële risico's met zich brengt mede gelet op de leeftijd van de vrouw van bijna 55 jaar en haar gezondheid. Ter zitting van het hof is naar aanleiding van vragen van het hof voorts gebleken dat het arbeidsaanbod van de advocaat van de man aan de vrouw ook geen reëel aanbod betrof en derhalve in de stukken ten onrechte als zodanig is opgevoerd.
15. Het hof zal daarom voor wat betreft de eigen verdiensten van de vrouw uitgaan van de feitelijke inkomsten uit haar huidige werkzaamheden als secretaresse. In dit verband blijkt, met als uitgangspunt de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie betreffende de maand november 2009, een besteedbaar inkomen aan haar zijde van omgerekend € 1.496,- netto per maand, inclusief vakantiegeld en rekening houdend met de standaard heffingskorting maar exclusief eventuele fiscale voordelen in verband met de eigen woning. Dit betekent dat de resterende behoeftigheid van de vrouw kan worden vastgesteld op afgerond € 738,- netto per maand (€ 2.234,- minus € 1.496,-). Gebruteerd (rekening houdend met de fiscale gevolgen aan de zijde van de vrouw ) is dat circa € 1.272,- per maand.
De slotsom
16. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat geen aanleiding bestaat de hoogte van de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie met ingang van 4 juli 2008 te wijzigen in de zin als de man heeft verzocht, mede gelet op de grenzen van de rechtsstrijd.
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 6 mei 2009 waarvan beroep.
Aldus gegeven door mrs. Jonkman, voorzitter, Garos en Kuiken, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 april 2010 in bijzijn van de griffier