ECLI:NL:GHARN:2010:BM1615

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
26 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-002374-08
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Bestrijdingsmiddelenwet 1962Art. 5a Bestrijdingsmiddelenwet 1962Art. 9 Bestrijdingsmiddelenwet 1962Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs gebruik verboden bestrijdingsmiddel Roundup

De verdachte werd ervan beschuldigd dat hij op of omstreeks 16 augustus 2007 het bestrijdingsmiddel Roundup op een sloottalud had gebruikt, wat volgens de wettelijke voorschriften niet was toegestaan. De economische politierechter veroordeelde hem in eerste aanleg voor deze overtreding.

In hoger beroep stelde de advocaat-generaal voor de verdachte vrij te spreken. Tijdens het onderzoek bleek dat de opsporingsambtenaar op 16 augustus 2007 een verkleuring van de begroeiing op het sloottalud had waargenomen, wat mogelijk duidde op gebruik van een bestrijdingsmiddel. Echter, de opsporingsambtenaar had niet gezien wanneer het sloottalud was bespoten.

De verdachte verklaarde dat hij rond 20 juli 2007 een ander bestrijdingsmiddel had gebruikt op het sloottalud. Deze verklaring werd ondersteund door de opsporingsambtenaar die aangaf dat de verkleuring pas tien dagen na toepassing ontstaat. Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat verdachte op de tenlastelegging genoemde datum het bestrijdingsmiddel Roundup had gebruikt en sprak hem vrij.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van het gebruik van het verboden bestrijdingsmiddel Roundup.

Uitspraak

Parketnummer: 24-002374-08
Parketnummer eerste aanleg: 07-995041-07
Arrest van 26 maart 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 september 2008 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1958] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon.
Het vonnis waarvan beroep
De economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een overtreding veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van het hem ten laste gelegde.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
hij op of omstreeks 16 augustus 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], al dan niet opzettelijk het bestrijdingsmiddel Roundup, welk bestrijdingsmiddel een onder nummer 6483 N toegelaten bestrijdingsmiddel was, heeft gebruikt in strijd met de krachtens artikel 5, tweede en/of derde en/of vierde en/of zesde en/of zevende en/of achtste lid, en/of artikel 5a, eerste en/of tweede lid, en/of artikel 9, tweede en/of derde lid van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 vastgestelde voorschriften, (thans zijnde de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden), immers heeft verdachte toen aldaar al dan niet opzettelijk dat bestrijdingsmiddel Roundup gebruikt op een sloottalud (Kavelzijde T 50), terwijl dat gebruik op grond van het wettelijk gebruiksvoorschrift behorende bij dat bestrijdingsmiddel Roundup niet was toegestaan.
Vrijspraak
Verdachte wordt verweten - kort gezegd - dat hij op of omstreeks 16 augustus 2007 al dan niet opzettelijk het bestrijdingsmiddel Roundup op een sloottalud heeft gebruikt, terwijl dit gebruik op grond van het wettelijke gebruiksvoorschrift behorende bij dit bestrijdingsmiddel niet was toegestaan.
Uit het procesdossier blijkt dat de opsporingsambtenaar op 16 augustus 2007 een (bruine) verkleuring van de begroeiing op het betreffende sloottalud heeft waargenomen. Op grond hiervan is bij de opsporingsambtenaar de verdenking ontstaan dat verdachte, als verantwoordelijke voor het beheer en onderhoud van die wegsloot, het sloottalud met een ongeoorloofd middel, dan wel op ongeoorloofde wijze heeft bespoten. De opsporingsambtenaar heeft hierbij aangegeven niet te hebben gezien op welk moment verdachte het sloottalud zou hebben bespoten.
Verdachte verklaart ter terechtzitting in hoger beroep hieromtrent dat hij reeds rond 20 juli 2007 op het betreffende sloottalud een - overigens ander dan in de tenlastelegging genoemd - bestrijdingsmiddel heeft gebruikt. Deze verklaring wordt ondersteund door de in het aanvullende proces-verbaal gedane mededeling van de opsporingsambtenaar dat hij door zijn jarenlange ervaring bekend is met het feit dat een dergelijke verkleuring van de begroeiing pas ontstaat tien dagen n? toepassing van een bestrijdingsmiddel.
Nu noch uit het procesdossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat het in de tenlastelegging omschreven feit op of omstreeks 16 september 2007 is gepleegd, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd. Het hof zal verdachte derhalve hiervan vrijspreken.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.J. Beswerda, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. G.N. Roes, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mr. Roes voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.