ECLI:NL:GHARN:2010:BM2846
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- H.J. Deuring
- D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo
- H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg
- Rechtspraak.nl
Voorwaardelijke plaatsing jeugdige verdachte na brandstichting, bedreiging en zedendelict
De minderjarige verdachte werd door het hof Arnhem veroordeeld voor medeplegen van brandstichting, bedreiging met zware mishandeling en medeplegen van een zedendelict met een minderjarige. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en legde een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) op in voorwaardelijke vorm met een proeftijd van twee jaar en een bijzondere voorwaarde dat verdachte zich moet houden aan aanwijzingen van zijn gezinsvoogd.
De bewezen feiten betroffen het opzettelijk aansteken van brand in een schuur met gevaar voor goederen, het bedreigen van een persoon met zware mishandeling door middel van dreigende woorden, en het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige tussen twaalf en zestien jaar. Uit gedragsdeskundig onderzoek bleek dat verdachte leed aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis (PDD-nos), een ernstige gedragsstoornis en een gebrekkige cognitieve ontwikkeling, waardoor hij verminderd toerekeningsvatbaar is.
Het hof overwoog dat verdachte reeds civielrechtelijk onder toezicht staat en geplaatst is in een orthopedagogisch centrum met een passend behandelprogramma, maar dat deze instelling niet geschikt is voor onvoorwaardelijke PIJ-maatregel uitvoering. Daarom werd het belang van continuïteit van behandeling zwaarder gewogen dan de wenselijkheid van een onvoorwaardelijke maatregel. De bijzondere voorwaarde en proeftijd moeten bijdragen aan een zo gunstig mogelijke ontwikkeling en bescherming van de samenleving.
De strafrechtelijke maatregel is opgelegd met het oog op de ernst van de feiten, de veiligheid van anderen, en het belang van behandeling in een gespecialiseerde residentiële setting. Het hof achtte verdachte strafbaar, maar verminderd toerekeningsvatbaar, en sprak hem vrij van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.
Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar.