ECLI:NL:GHARN:2010:BM6749

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
2 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AVNR 528-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 406 SvArt. 86 lid 2 SvArt. 80 e.v. SvArtikel 2 Zevende Protocol EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing schorsing voorlopige hechtenis

Het gerechtshof Arnhem behandelde het hoger beroep van verdachte tegen de beslissing van de rechtbank Utrecht die het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis had afgewezen. Het hof overwoog dat op grond van artikel 406 lid 2 Sv Pro geen hoger beroep mogelijk is tegen een ter terechtzitting afgewezen verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis.

De raadsman van verdachte voerde aan dat op grond van bepalingen uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) toch een rechtsmiddel zou moeten bestaan. Het hof stelde echter vast dat het EVRM geen recht op hoger beroep tegen dergelijke rechterlijke beslissingen toekent en dat het Zevende Protocol, artikel 2, dat wel voorziet in rechtsmiddelen tegen einduitspraken, door Nederland nog niet is geratificeerd.

Ook gaf artikel 86 lid 2 Sv Pro geen uitbreiding van rechtsmiddelen tegen tussenuitspraken. Het hof concludeerde daarom dat verdachte niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis.

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam
zitting houdende te
Arnhem
pkn: 16-513536-10
avnr: 000528-15
Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door
{verdachte},
geboren op 25 maart 1992,
verblijvende in de Justitiële Jeugdinrichting "De Rentray" te Lelystad.
Het hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Utrecht van 4 mei 2010, houdende de afwijzing van het ter terechtzitting gedane verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door mr R. Veerkamp, advocaat te Utrecht, in raadkamer van heden.
Het hof heeft gezien bovengenoemde beschikking en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 7 mei 2010.
OVERWEGINGEN:
Op grond van artikel 406 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering is geen hoger beroep opengesteld tegen een ter terechtzitting afgewezen verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. In raadkamer heeft de raadsman betoogd dat in weerwil daarvan toch, op grond van bepalingen uit het EVRM, een rechtsmiddel mogelijk zou moeten zijn. Het hof merkt daarover op dat het EVRM geen bepalingen bevat die het recht op hoger beroep tegen rechterlijke beslissingen toekennen. In aanvulling op het Verdrag is weliswaar in het Zevende Protocol, in artikel 2, een voorziening ten aanzien van rechtsmiddelen opgenomen, maar deze voorziening betreft in beginsel alleen (eind)uitspraken houdende veroordeling. Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat Nederland dit Protocol (nog) niet heeft geratificeerd zodat bindende kracht daaraan niet kan worden toegekend. Waar, anders dan eveneens door de raadsman is gesteld, ook artikel 86, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering geen uitbreiding geeft aan het stelsel van rechtsmiddelen tegen tussenuitspraken, is geen andere conclusie mogelijk dan dat verdachte niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep tegen de onderhavige beslissing.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in artikel 80 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gegeven op 2 juni 2010 door mrs C. Caminada, voorzitter, A.E. Harteveld en J.H.M. Zwinkels, raadsheren, in tegenwoordigheid van M. van Dijk, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.