ECLI:NL:GHARN:2010:BN2125

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
18 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.033.313/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Zandbergen
  • Tjallema
  • Van Rijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 243 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Smartengeld na mishandeling door stiefvader in thuissituatie

In deze civiele zaak vordert appellant smartengeld en vergoeding van reiskosten na mishandeling door zijn stiefvader, geïntimeerde. De mishandelingen vonden plaats gedurende meerdere jaren in de thuissituatie, waarbij appellant als jong kind afhankelijk was van geïntimeerde. De rechtbank kende in eerste aanleg een bedrag van €1.250 aan smartengeld toe en wees de reiskosten af.

Appellant stelde in hoger beroep dat de reiskosten noodzakelijk waren om de strafzitting bij te wonen en dat het smartengeld ontoereikend was gezien de impact van de mishandeling, waaronder een blijvend litteken en psychische schade. Het hof oordeelde dat onvoldoende feiten waren gesteld om de reiskosten toe te kennen, mede omdat appellant niet was opgeroepen voor de strafzitting en de brief van een maatschappelijk werkster onvoldoende onderbouwing bood.

Ten aanzien van het smartengeld stelde het hof vast dat de door appellant aangevoerde angst- en minderwaardigheidsgevoelens niet waren onderbouwd en dat ook het risico op inkomensschade niet was aangetoond. Het hof bevestigde dat het toegekende bedrag van €1.250 in lijn is met de rechtspraak in vergelijkbare gevallen. Het hoger beroep werd afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, waarbij het smartengeld van €1.250 wordt gehandhaafd en de reiskosten worden afgewezen.

Uitspraak

Arrest d.d. 18 mei 2010
Zaaknummer 200.033.313/01
HET GERECHTSHOF TE ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[app[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [appellant],
toevoeging aangevraagd,
advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse, kantoorhoudende te Deventer,
tegen
[ge[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
toevoeging,
advocaat: mr. M.B.W.G. Beutener, kantoorhoudende te Deventer.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen
uitgesproken op 2 oktober 2008 en 5 maart 2009 door de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton (hierna: de kantonrechter).
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 6 mei 2009 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis van 5 maart 2009 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 26 mei 2009.
De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:
"1. het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector Kanton, locatie Deventer, met nummer 411142 / CV 08-2476 van 5 maart 2009 te vernietigen;
2. opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vorderingen van appellant geheel toe te wijzen, aldus dat geïntimeerde aan appellant binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis dient te vergoeden:
- € 15,20 in verband met gemaakte reiskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 4.000,00 in verband met smartegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf 10 maart 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;
- buitengerechtelijke kosten ad. € 92,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;
3. geïntimeerde te veroordelen binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan appellant te vergoeden de kosten van het geding in eerste aanleg en appèl;
4. het vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren."
Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:
"niet ontvankelijk te verklaren, althans dit beroep af te wijzen met veroordeling van appellant in de kosten van dit hoger beroep."
Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
[appellant] heeft twee grieven opgeworpen.
De beoordeling
1. De Feiten
1.1. In zijn vonnis van 5 maart 2009 heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 1 de feiten vastgesteld. Daartegen is niet van bezwaren gebleken zodat in hoger beroep de volgende feiten vaststaan.
1.2. Vanaf ongeveer 1998 is [appellant], die destijds tien was, samen met zijn moeder bij [geïntimeerde] aan de [adres] gaan wonen.
1.3. Op 11 maart 2004 heeft [appellant] bij de politie aangifte gedaan van mishandeling door [geïntimeerde] en op 4 juli 2006 heeft hij bij de politie verklaard door [geïntimeerde] te zijn mishandeld.
1.4. Op 18 augustus 2006 heeft de moeder van [appellant] bij de politie aangifte gedaan van mishandeling door [geïntimeerde] en op 19 augustus 2006 hebben [appellant], zijn broer [naam] alsmede diens vriendin verklaringen afgelegd over mishandeling door [geïntimeerde] van [appellant], diens broer en diens moeder.
1.5. Op 25 april 2008 is [geïntimeerde] wegens mishandeling van [appellant] en zijn broer door de politierechter te Zwolle in een op tegenspraak gewezen vonnis veroordeeld tot 161 dagen vrijheidsstraf waarvan 120 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
2. Inleidende opmerkingen
2.1. Dat [geïntimeerde] [appellant] heeft mishandeld en daardoor gehouden is tot schadevergoeding, staat in hoger beroep niet ter discussie. Het hoger beroep ziet uitsluitend op de omvang van de door [geïntimeerde] te vergoeden schade.
3. Grief I
3.1. [appellant] heeft reiskosten gemaakt om de strafzitting tegen [geïntimeerde] bij te wonen, te weten € 15,20. De kantonrechter heeft dienaangaande in r.o. 4.3. overwogen: Deze kosten worden afgewezen omdat [appellant] niet duidelijk heeft gemaakt of er enige noodzaak bestond om naar Zwolle af te reizen. Voor zover uit de stukken valt op te maken is hij niet opgeroepen om aldaar te verschijnen maar is hij eigener beweging naar de strafzitting gegaan.
3.2. Tegen deze overweging is de eerste grief gericht. [appellant] heeft gesteld dat het bijwonen van de zitting voor hem nodig was om de traumatische ervaring van de mishandeling te verwerken. [appellant] verwijst daartoe naar een brief van 7 februari 2008 van Corlien Scheele, maatschappelijk werkster i/o (het hof leest hier: in opleiding) bij Carinova, waarin onder meer het volgende is vermeld: 'Vanaf heden is bovengenoemde cliënt onder mijn begeleiding. De begeleiding is gericht op het verwerken van een traumatische jeugd waarin cliënt o.a. jarenlang mishandeld is.'
3.3. Het hof overweegt dienaangaande dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld ter onderbouwing van de weersproken stelling dat de kosten die [appellant] heeft gemaakt voor het bijwonen van de strafzitting (tegen [geïntimeerde]) als een aan de mishandeling toe te rekenen gebeurtenis aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend. Ook de brief van Carinova onderbouwt een dergelijke toerekening niet. Grief I faalt.
4. Grief II
4.1. De kantonrechter heeft wegens smartengeld een bedrag van € 1.250,- toegekend. [appellant] bepleit dat dit € 4.000,- dient te zijn. De kantonrechter heeft bij de vaststelling van de omvang van het smartengeld de volgende feiten en omstandigheden meegewogen:
- [appellant] heeft lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een blijvend litteken;
- gedurende meerdere jaren is de lichamelijke integriteit van [appellant] aangetast.
- [appellant] was een jong kind dat afhankelijkheid was van [geïntimeerde], onder
wiens dak hij verbleef.
4.2. Volgens [appellant] had de kantonrechter rekening moeten houden met de impact van de mishandelingen die zonder enige aanleiding plaatsvonden en waardoor hij angstig is opnieuw slachtoffer te worden van zinloos geweld. Hij kan zich bij zijn werk als timmerman niet goed concentreren en heeft ook hinder van een minderwaardigheidscomplex. Door dit alles is er een risico voor toekomstige inkomensschade.
4.3. Deze factoren alsmede het blijvende litteken in het gezicht en de opgelopen psychische schade maken dat [appellant] een vergoeding wegens smartengeld van € 4.000,-- wenst.
4.4. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De gestelde angst- en minderwaardigheidsgevoelens zijn door [geïntimeerde] betwist en door [appellant] niet onderbouwd. Ook de gevreesde inkomensschade wordt niet onderbouwd. Wat overblijft, zijn de door de kantonrechter in zijn uitvoerige overwegingen betrokken omstandigheden. Het mag zo zijn dat [appellant] het door de kantonrechter toegekende bedrag aan smartengeld niet ervaart als afdoende compensatie voor het hem aangedane leed, maar de kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat dit bedrag overeenstemt met de rechtspraak in vergelijkbare situaties. Grief II faalt.
5. Slotsom
Nu de grieven falen zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd en zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (1 punt, tarief I).
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 262,- aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;
bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan
€ 131,- aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv Pro.
Aldus gewezen door mrs. Zandbergen, voorzitter, Tjallema en Van Rijssen, raden,
en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 18 mei 2010 in bijzijn van de griffier.