a. bij vonnis van de rechtbank Almelo van 28 augustus 2002 is Central Food Tech B.V. (hierna: CFT) in staat van faillissement verklaard;
b. [geïntimeerde] was bestuurder van CFT en bezat ten tijde van het faillissement, middels zijn vennootschap [geïntimeerde] Groep B.V., 50% van de aandelen in CFT; de overige aandelen waren in bezit van Handelsonderneming Ryan B.V.;
c. bij in kracht van gewijsde gegaan eindvonnis van 9 januari 2002 heeft de rechtbank Almelo voor recht verklaard dat [geïntimeerde] en CFT onrechtmatig jegens Vaessen-Schoemaker Chemische Industrie B.V. (hierna: V-S) gehandeld hebben en heeft zij [geïntimeerde] en CFT uit dien hoofde hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 281.882,21 vermeerderd met de wettelijke rente; daarnaast is [geïntimeerde] bij dat vonnis veroordeeld tot betaling van een boete van € 135.907,17 vermeerderd met de wettelijke rente, welk bedrag in mindering komt op het door hem te betalen bedrag wegens schadevergoeding (€ 281.882,21);
d. in het aan voornoemd eindvonnis voorafgegane tussenvonnis van 24 januari 2001 heeft de rechtbank Almelo onder meer overwogen (r.o. 10/11):
“De conclusie tot dusverre moet zijn dat [geïntimeerde] zowel het concurrentiebeding als het geheimhoudingsbeding geschonden heeft en aldus onrechtmatig jegens V&S gehandeld heeft.
De vraag is nu of CFT, door gebruik te maken van het tekortschieten van [geïntimeerde] in de nakoming van diens verplichtingen uit zowel het concurrentiebeding als het geheimhoudingsbeding eveneens onrechtmatig jegens V&S gehandeld heeft.
Naar algemeen in de rechtspraak aanvaard (…) is dat niet zonder meer het geval, maar moeten er bijzondere omstandigheden gesteld en bewezen worden die meebrengen dat daarvan sprake is (…).
Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze van dergelijke bijkomende omstandigheden sprake. In dat kader wordt overwogen dat de rechtsvoorganger van CFT -Cebag B.V.- per 22 december 1988 is opgericht met gelijktijdige benoeming van [geïntimeerde] tot directeur en dat deze B.V. is opgericht met name met het doel om [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen zijn technologische kennis commercieel te exploiteren, alsmede dat [geïntimeerde] per 3 maart 1989 tevens 50% aandeelhouder van Cebag B.V. is geworden. Verwezen wordt naar hetgeen is gesteld op bladzijde 5 van de conclusie van dupliek van [geïntimeerde] en CFT waar dit aldus is gesteld. Gezien deze omstandigheden dient de wetenschap die [geïntimeerde] omtrent zijn gedragswijze jegens V&S had, althans behoorde te hebben, geacht te worden ook bij CFT aanwezig te zijn geweest. (…)
De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede nog dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn dat [geïntimeerde] middels een rechtspersoon waarin hij het beleid kan bepalen straffeloos zou kunnen doen wat hem in privé niet is toegestaan.
De conclusie is dat ook dat CFT onrechtmatig jegens V&S gehandeld heeft en naast [geïntimeerde] voor de door V&S als gevolg daarvan geleden schade aansprakelijk is.”
e. het in voormelde vonnissen genoemde onrechtmatig handelen betreft het feit dat CFT in de periode van 1989 tot begin 1992 zaken heeft gedaan met Skoblin, een voormalige klant van
V-S. De procedure die heeft geresulteerd in voormeld eindvonnis van 9 januari 2002 is geëntameerd in 1994;
f. CFT heeft, na het wijzen van dat eindvonnis, een bedrag van € 253.500,- aan V-S betaalbaar gesteld, welk bedrag afkomstig was uit de op 1 april 2002 gerealiseerde verkoop van activa door CFT aan Barentz Ingrediënts B.V., hierna te noemen: Barentz;
g. [geïntimeerde] heeft zijn privé-aansprakelijkheid jegens V-S geschikt op een bedrag van
f. 250.000,-, welk bedrag betaalbaar is gesteld na maximale verhoging van de hypothecaire lening op zijn woonhuis;
g. de curator heeft ten laste van [geïntimeerde] conservatoir beslag gelegd op diens onroerende zaken te Almelo (bedrijfscomplex) en Nijverdal (woonhuis) en conservatoir derdenbeslag onder Barentz.