ECLI:NL:GHARN:2010:BN6715

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
17 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
21-003895-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14f SrArt. 14h SrArt. 14i SrArt. 14j SrArt. 23 Sr
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens opzettelijk niet voldoen aan een wettelijk bevel van een toezichthouder

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem het vonnis van de politierechter te Almelo vernietigd en doet het hof opnieuw recht. Verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 16 augustus 2009 in de gemeente X opzettelijk niet had voldaan aan een bevel van een ambtenaar belast met toezicht, om afstand te houden. Het hof oordeelde dat het bevel krachtens artikel 154 van Pro de Gemeentewet was gegeven en daarmee wettelijk was voorgeschreven.

Het hof achtte bewezen dat verdachte het bevel niet opvolgde en verwierp het verweer dat verdachte het bevel niet had gehoord. Het hof sprak verdachte vrij van andere tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden. Verdachte werd veroordeeld voor overtreding van artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, omdat hij opzettelijk niet aan het bevel had voldaan.

Daarnaast werd de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie opnieuw aan de orde gesteld. Het hof besloot de proeftijd van deze jeugddetentie met één jaar te verlengen, gelet op de omstandigheden en het gedrag van verdachte.

De opgelegde straf bestond uit een geldboete van 250 euro, te vervangen door vijf dagen hechtenis bij niet-betaling. De uitspraak werd gedaan door mr H. Abbink, mr A. van Waarden en mr P.H.A.J. Cremers, waarbij laatstgenoemde niet kon medeondertekenen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van 250 euro en verlenging van de proeftijd van voorwaardelijke jeugddetentie met één jaar.

Uitspraak

Sector strafrecht
Parketnummer: 21-003895-09
Uitspraak d.d.: 17 mei 2010
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Almelo van 5 oktober 2009 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 08-710831-08, in de strafzaak tegen
VERDACHTE,
geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum),
wonende te (woonplaats), (adres).
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 mei 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 16 augustus 2009, te Y, gemeente X,
opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens
artikel 2:1 lid 2 van Pro de Algemene Plaatselijk Verordening gemeente
X, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door
T., die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die
was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van
strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze
ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd afstand te houden,
geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat hoofdagent van politie T. bevoegd was om van verdachte te bevelen afstand te houden. De betreffende bepaling van de Algemene Plaatselijk Verordening van de gemeente X is een uitvoeringsregeling van artikel 154 van Pro de Gemeentewet en niet van artikel 2 van Pro de Politiewet, zoals door de rechtbank is geoordeeld. Het betreffende artikel van de Gemeentewet vormt derhalve de grondslag voor de bevoegdheid, zodat het bevel krachtens wettelijk voorschrift is gedaan. Ook overigens lijdt de betreffende APV-bepaling niet aan een gebrek.
De stelling van verdachte, dat hij niet heeft gehoord dat hem werd bevolen afstand te houden, acht het hof niet aannemelijk, gelet op het door T. in zijn proces-verbaal van aanhouding gerelateerde.
Nu verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan het door T. gegeven bevel, is er sprake van overtreding van artikel 184 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 16 augustus 2009, te Y, gemeente X,
opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, krachtens
artikel 2:1 lid 2 van Pro de Algemene Plaatselijk Verordening gemeente
X, gedaan door T., die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, afstand te houden, geen gevolg gegeven aan dit bevel.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op het misdrijf:
Opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Kinderrechter te Almelo van 15 april 2009 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met 1 (één) jaar moeten worden verlengd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14f, 14h, 14i, 14j, 23, 24, 24c en 184 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
Tenuitvoerlegging
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de kinderrechter te Almelo van 15 april 2009 met een termijn van 1 (een) jaar.
Aldus gewezen door
mr H. Abbink, voorzitter,
mr A. van Waarden en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr H.J. Jansen, griffier,
en op 17 mei 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr P.H.A.J. Cremers is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.