ECLI:NL:GHARN:2010:BN8228
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vennootschapsbelasting en vaststellingsovereenkomst
Belanghebbende, een vennootschap die alle aandelen hield in A bv, was in geschil met de Inspecteur over aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2003 en 2004, inclusief correcties op afwaarderingen van vorderingen en rentecorrecties. De Inspecteur had deze correcties doorgevoerd omdat hij van mening was dat de afwaarderingen niet volledig ten laste van het resultaat konden worden gebracht en dat de schuldovername door belanghebbende aandeelhoudersmotieven had.
Een vaststellingsovereenkomst uit 2004 tussen belanghebbende, A, B en de Inspecteur regelde een gezamenlijke belastingschuld van circa € 860.000, waarvan € 550.000 was betaald met geld dat in de kruipruimte van de privéwoning van B aanwezig was. De toerekening van dit bedrag aan de partijen en de fiscale verrekening van onderlinge vorderingen vormden een belangrijk geschilpunt.
Het Hof oordeelde dat, net als de rechtbank, ieder van de partijen hun eigen deel van de belastingschuld had voldaan en dat er geen fiscale verrekening van onderlinge vorderingen en schulden mogelijk was. Het Hof nam daarbij mee dat het geld in de kruipruimte deels aan B privé en deels aan de vennootschappen toebehoorde, en dat B als kassier optrad. De correcties van de Inspecteur werden als cijfermatig correct bevestigd.
Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad werd opengesteld.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.