met betrekking tot de grieven
5.1 Grief III strekt ertoe te betogen dat van [appellante] niet kon worden gevergd dat zij, nadat zij begin september 2006 door [geïntimeerde] was mishandeld en de woning na afloop van de detentie van [geïntimeerde] in november 2006 terstond heeft verlaten, nog de huur en een vergoeding voor het gebruik van gas, water en electriciteit aan [geïntimeerde] zou moeten voldoen. Deze grief stuit echter af op de omstandigheid dat [appellante] de huurovereenkomst met [geïntimeerde] niet heeft opgezegd en dat, zelfs indien zij de woning gelet op de omstandigheden hals over kop moest verlaten, daarmee nog niet valt in te zien dat zij niet kort daarna alsnog de huurovereenkomst had kunnen opzeggen. Aldus zijn -gelijk ook door de kantonrechter is overwogen- haar betalingsverplichtingen jegens [geïntimeerde] niet geëindigd. Gelet hierop kan in het midden worden gelaten of de door [appellante] gestelde mishandeling door [geïntimeerde] daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Grief III mist derhalve doel.
5.2 In grief II wordt aan de orde gesteld dat de kantonrechter het verweer van [appellante] dat zij de huurpenningen over de maanden juli en augustus 2006 wel heeft betaald, ten onrechte heeft verworpen. Anders dan in de toelichting op de grief kennelijk tot uitgangspunt wordt genomen, rust echter op [appellante] de bewijslast ten aanzien van dit bevrijdende verweer (HR 27 november 2009, NJ 2009, 599). [appellante] heeft ter zake geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Grief II faalt derhalve eveneens.
5.3 Grief I is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] een huurprijs van € 1.000,00 per maand exclusief water, gas en electriciteit aan [geïntimeerde] diende te voldoen. Het hof overweegt in dit verband dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat de schriftelijke huurovereenkomst tussen partijen dwingend bewijs oplevert van hetgeen daarin is vastgelegd, behoudens tegenbewijs. [appellante] heeft bij conlusie van antwoord aangegeven dat zij wil bewijzen dat een andere huurprijs tussen partijen was overeengekomen, maar hieraan is de kantonrechter voorbij gegaan.
5.4 Ter onderbouwing van haar ook reeds in eerste aanleg betrokken stelling dat zij met [geïntimeerde] niet een huurprijs van € 1.000,00 per maand exclusief water, gas en electriciteit was overeengekomen, maar € 650,00 per maand inclusief water, gas en electriciteit, heeft [appellante] in hoger beroep een verklaring van 18 januari 2008 van [naam] (hierna: [naam]) in het geding gebracht. [naam] verklaart dat zij van november 2005 tot 15 december 2005 bij [appellante] in de woning heeft gewoond en dat zij gedurende die tijd heeft gezien dat [appellante] € 650,00 aan [geïntimeerde] heeft betaald. Tevens heeft [appellante] in algemene bewoordingen bewijs aangeboden.
5.5 Naar vaste rechtspraak (o.a. HR 24 maart 2000, NJ 2000, 342) behoeft een aanbod om tegenbewijs te leveren, niet te worden gespecificeerd. Het hof zal [appellante] derhalve overeenkomstig haar aanbod toelaten tegenbewijs te leveren van de in de schriftelijke huurovereenkomst van 29 april 2005 opgenomen huurprijs van € 1.000,00 per maand exclusief het gebruik van water, gas en electriciteit. Het hof merkt hierbij op dat dergelijk tegenbewijs niet reeds besloten ligt in voormelde verklaring van [naam], omdat die verklaring onvoldoende concreet is om een dergelijk oordeel te kunnen dragen.