ECLI:NL:GHARN:2010:BO1270
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onzakelijke lening kan niet worden afgewaardeerd binnen terbeschikkingsstellingsregeling
Belanghebbende, houdende 50,05% van de aandelen in C BV, verstrekte op 26 augustus 2003 een geldlening van €165.240 aan deze vennootschap. De lening werd verstrekt zonder zekerheden en onder voorwaarden die het hof onzakelijk achtte, mede omdat C BV nauwelijks activa had en geen zakelijke compensatie aan belanghebbende werd geboden.
Na het faillissement van D BV, waarin C BV een belang hield en aan wie de lening was doorgeleend, schold belanghebbende zijn vordering op C BV van €162.100 kwijt. Hij bracht dit bedrag ten laste van zijn resultaat uit werkzaamheid in de aangifte inkomstenbelasting 2004. De Inspecteur corrigeerde dit en stelde dat de lening onzakelijk was en de kwijtschelding niet ten laste van het resultaat kon komen.
Het hof overwoog dat het debiteurenrisico door belanghebbende werd aanvaard om aandeelhoudersmotieven, waardoor sprake was van een onzakelijke lening. Dit oordeel geldt ook al was de lening van de aandeelhouder aan de vennootschap, in tegenstelling tot eerdere arresten over leningen van vennootschap aan aandeelhouder.
Daarom kan de afboeking van de onzakelijke lening niet worden verwerkt binnen het winstregime van de terbeschikkingsstellingsregeling. Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.