ECLI:NL:GHARN:2010:BO1452
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging vonnis rechtbank
In deze civiele zaak hebben appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 juni 2010. Tegelijkertijd verzochten zij incidenteel om schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis op grond van artikel 351 Rv Pro. Appellanten voerden aan dat het vonnis berustte op een kennelijke misslag en dat executie van het vonnis hen in een noodtoestand zou brengen.
Het hof overwoog dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging een duidelijk belang van de incidenteel eiser vereist is, evenals een belangenafweging waarbij het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder moet wegen dan dat van de veroordelinghouder. Tevens moet aannemelijk zijn dat het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of dat zich na de uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan die schorsing rechtvaardigen.
Het hof stelde vast dat appellanten onvoldoende feiten en omstandigheden hadden gesteld die een kennelijke misslag aannemelijk maken. Ook was niet gebleken dat zich na de uitspraak nieuwe omstandigheden hadden voorgedaan die schorsing rechtvaardigen. De financiële bescheiden van appellanten toonden geen noodtoestand aan. Geïntimeerde, een 86-jarige persoon, had een gerechtvaardigd belang bij spoedige executie om zijn geld nog bij leven terug te krijgen.
Daarom wees het hof de incidentele vordering af en bepaalde dat de kosten van het incident worden beslist bij de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling.
Uitkomst: De incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen.