ECLI:NL:GHARN:2010:BO8226
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- J.I.M.W. Bartelds
- G. Mintjes
- G.C. Gillissen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tot achterwege laten vervroegde invrijheidstelling wegens late indiening
In deze zaak vordert het openbaar ministerie het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling van een veroordeelde die zich had onttrokken aan de tenuitvoerlegging van zijn straf. De vordering is gebaseerd op artikel 15a, eerste lid, sub d, van het Wetboek van Strafrecht (oud) en de beleidsregels omtrent vervroegde invrijheidstelling.
Het hof stelt vast dat de veroordeelde zich op 21 januari 2008 onttrok aan de tenuitvoerlegging door niet terug te keren van verlof zonder direct toezicht. Na een lange periode van voortvluchtigheid werd hij in maart 2010 aangehouden en in april 2010 overgeleverd aan Nederland. De vordering van het openbaar ministerie werd pas op 20 september 2010 ingediend, 973 dagen na de onttrekking.
Het hof overweegt dat de vordering niet onverwijld is ingediend zoals vereist in artikel 15, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud). Het feit dat de veroordeelde pas na lange tijd werd aangehouden rechtvaardigt geen uitstel van de indiening. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van de beleidsregels rechtvaardigen. Daarom verklaart het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot het achterwege laten van vervroegde invrijheidstelling wegens niet-onverwijld indienen.