ECLI:NL:GHARN:2011:BP1203

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
13 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.049.436
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Partneralimentatie nihil gesteld bij vrijwillig schuldhulpverleningstraject gelijkgesteld aan WSNP

Partijen zijn gehuwd geweest en gescheiden; de vrouw vordert partneralimentatie van €200 per maand. De man voert aan dat hij een schuldhulpverleningstraject volgt via de Gemeenschappelijke Kredietbank (GKB) op vrijwillige basis, gelijk aan een traject onder de Wet Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen (WSNP). Het hof oordeelt dat het vrijwillige traject gelijkgesteld moet worden aan een WSNP-traject, omdat het doel is om schulden minnelijk te regelen.

Het hof stelt vast dat bij het schuldhulpverleningstraject geen rekening is gehouden met alimentatieverplichtingen en dat de man slechts €50 per week aan leefgeld ontvangt. Hierdoor is er geen draagkracht voor alimentatie. Bijzondere omstandigheden die dit zouden veranderen zijn niet gesteld of gebleken.

Daarom vernietigt het hof de eerdere beschikking en wijst het het verzoek van de vrouw af. Het hof volgt hiermee niet de rechtbank die de alimentatie wel had vastgesteld. De zaak is behandeld in hoger beroep waarbij de man zijn verzoek tot nihilstelling van alimentatie heeft gedaan en het hof dit heeft gehonoreerd.

Uitkomst: Partneralimentatie wordt op nihil gesteld omdat het vrijwillige schuldhulpverleningstraject gelijk wordt gesteld aan een WSNP-traject en de man geen draagkracht heeft.

Uitspraak

Beschikking d.d. 13 januari 2011
Zaaknummer 200.049.436
HET GERECHTSHOF ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden
Beschikking in de zaak van
[naam],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. K. ter Haar-Bencha?b, kantoorhoudende te Emmeloord,
tegen
[naam],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. E. Uijt de boogaardt, kantoorhoudende te Emmeloord.
Het geding in eerste aanleg
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 23 september 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 200,-- per maand.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 10 november 2009, heeft de man verzocht de beschikking van 23 september 2009 te vernietigen en het inleidende verzoekschrift van de vrouw met betrekking tot de vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud af te wijzen, althans de bijdrage op nihil te stellen. Daarnaast heeft de man bij wijze van incident tevens verzocht de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen. Die zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.049.440.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 17 december 2009, heeft de vrouw het schorsingsverzoek bestreden en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep en in zijn schorsingsverzoek, dan wel het beroep en het verzoek af te wijzen.
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief met bijlagen van 16 juni 2010 en een faxbericht van 25 juni 2010 van mr. Ter Haar-Benchaïb en een faxbericht van 21 juni 2010 van mr. Uijt de boogaardt.
Ter zitting van 28 juni 2010 is de zaak behandeld. Namens de man is mr. Ter Haar-Benchaïb verschenen. De man, de vrouw en mr. Uijt de boogaardt zijn, met kennisgeving, niet verschenen.
De beoordeling
De vaststaande feiten
1. Partijen zijn op 20 oktober 1992 in de gemeente Noordoostpolder met elkaar gehuwd. Het huwelijk tussen partijen is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 januari 2009 in de registers van de burgerlijke stand.
2. Bij inleidend verzoekschrift van 13 november 2008 heeft de vrouw, voor zover hier van belang, verzocht te bepalen dat de man voor haar levensonderhoud een bedrag van € 200,-- per maand aan haar dient te betalen. De man heeft zich hiertegen verweerd.
3. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissing is het hoger beroep van de man gericht.
4. Bij beschikking van 21 januari 2010 heeft het gerechtshof Arnhem, nevenzittings-plaats Leeuwarden, de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking geschorst (zaaknummer 200.049.440).
De overwegingen
5. De man stelt dat tijdens het huwelijk van partijen schulden zijn ontstaan en dat de totale schuldenlast thans € 20.682,10 bedraagt. Volgens hem had hij, gelet op de hoogte van zijn inkomen, geen andere keuze dan het ingaan van het schuldhulpverleningstraject, teneinde tot aflossing van de schulden te kunnen komen. Hij wijst erop dat het vrijwillige traject ertoe leidt dat hij - en daarmee tevens de vrouw - na drie jaren schuldenvrij is. De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het vrijwillige schuldhulpverleningstraject niet gelijk gesteld kan worden met een schuldsaneringstraject in het kader van de Wet Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen (hierna: WSNP). Volgens hem dient het inleidende verzoek van de vrouw te worden afgewezen.
6. Het hof is van oordeel dat uit de stukken blijkt dat de man via de Gemeenschappelijke Kredietbank (hierna: GKB) een minnelijke regeling heeft getroffen met de schuldeisers. De vrouw heeft dit niet weersproken. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat dit schuldhulpverleningstraject op vrijwillige basis in het kader van de partneralimentatie gelijk dient te worden gesteld met een schuldsaneringstraject op basis van de WSNP. Het is immers de bedoeling van de wettelijke schuldsaneringsregeling om te bevorderen dat tussen de schuldeisers en de schuldenaar een minnelijk akkoord wordt aangegaan oftewel dat voorafgaand aan een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling eerst wordt gepoogd een vrijwillig schuldhulpverleningstraject te laten slagen. Daarvan is hier sprake.
7. Op grond van de Tremanormen is het uitgangspunt dat, indien een onderhoudsplichtige is toegelaten tot de schuldsanering uit hoofde van de WSNP, de geldende onderhoudsverplichtingen jegens andere onderhoudsgerechtigden dan kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt, desgevraagd voor de duur van de schuldsanering, op nihil wordt bepaald. Dit uitgangspunt geldt slechts in die gevallen waarin voor het vrij te laten bedrag niet met die verplichtingen rekening is gehouden. Het hof is van oordeel dat dit uitgangspunt tevens dient te gelden voor het vrijwillige schuldhulpverleningstraject bij de GKB, dat de man thans volgt.
8. Vast staat dat bij de bepaling van het vrij te laten bedrag door de GKB geen rekening is gehouden met de alimentatieverplichtingen van de man jegens de vrouw. De man heeft onbetwist gesteld dat hij wekelijks € 50,-- leefgeld ontvangt. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat de man, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om aan zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. Bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. Het hof is derhalve - anders dan de rechtbank - van oordeel dat het inleidende verzoek van de vrouw wegens het ontbreken van enige draagkracht aan de zijde van de man dient te worden afgewezen.
9. De eventuele gegrondheid van de overige grieven van de man zou leiden tot verdere verlaging van de draagkracht van de man. Nu het hof reeds heeft geoordeeld dat de man geen draagkracht heeft om enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen, behoeven deze grieven geen bespreking.
Slotsom
10. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
en opnieuw beslissende:
wijst het inleidend verzoek van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, B.J.J. Melssen en H.J. de Ruijter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2011 in bijzijn van de griffier.