ECLI:NL:GHARN:2011:BP6984

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
4 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
21-002707-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 180 WvSrArt. 447e WvSrArt. 422 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken rechtmatige uitoefening van bediening bij aanhouding

In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte zich met geweld had verzet tegen een rechtmatige aanhouding door een politieambtenaar. Verdachte werd aangehouden omdat hij aanvankelijk weigerde een identiteitsbewijs te tonen, maar later bleek dat hij dit bewijs wel bij zich had en dit ook aan de politie werd getoond.

Het hof oordeelde dat verdachte op het moment van aanhouding al had voldaan aan de wettelijke verplichting om een identiteitsbewijs te tonen zoals bedoeld in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Hierdoor was de aanhouding niet meer rechtmatig en konden de politieambtenaren niet meer in de rechtmatige uitoefening van hun bediening handelen.

Op grond van deze overwegingen vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde verzet tegen een opsporingsambtenaar. De bewijsbeslissing was dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend was bewezen.

Het arrest werd uitgesproken door het gerechtshof Arnhem op 4 maart 2011 na behandeling van het hoger beroep tegen het vonnis van 22 juni 2010 van de politierechter in Utrecht.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat de politie niet rechtmatig handelde bij zijn aanhouding.

Uitspraak

Sector strafrecht
Parketnummer: 21-002707-10
Uitspraak d.d.: 4 maart 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 22 juni 2010 in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1983],
wonende te [woonplaats], [adres].
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 februari 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 17 maart 2009 te Utrecht, toen een aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaar verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had aangehouden en had vastgegrepen, althans vast had, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening, heeft verzet door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden;
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Naar het oordeel van het hof had verdachte toen hij werd aangehouden wegens het niet voldoen aan de verplichting als bedoeld in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden reeds aan die verplichting voldaan.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 19 april 2009 blijkt dat verdachte - toen hem door de politie naar zijn identiteitsbewijs werd gevraagd - er aanvankelijk van uit ging dat hij geen identiteitsbewijs bij zich had. Verdachtes vriendin merkte echter direct op dat hij wel een dergelijk bewijs in zijn jas had zitten. Toen verbalisante [naam] vervolgens vroeg of zij bij verdachte in zijn jaszakken mocht kijken, gaf verdachte daartoe toestemming. In de jaszak werd vervolgens door de verbalisante het paspoort van verdachte aangetroffen.
Naar het oordeel van het hof kon verdachte daarna niet meer wegens het niet voldoen aan de verplichting als bedoeld in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht worden aangehouden. Op het moment dat dat wel gebeurde waren de politieambtenaren niet meer in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr R. de Groot, voorzitter,
mr H. Abbink en mr J.D. den Hartog, raadsheren,
in tegenwoordigheid van P. Heinst, griffier,
en op 4 maart 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.