ECLI:NL:GHARN:2011:BQ0246

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
1 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-002817-10
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 46 SrArt. 47 SrArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot doodslag op twee cafébezoekers wegens onvoldoende bewijs

Op 25 april 2010 vond in een café in een Nederlandse gemeente een schietincident plaats waarbij twee cafébezoekers gewond raakten. Verdachte werd ervan verdacht met een vuurwapen te hebben geschoten met het oogmerk om beide slachtoffers te doden. De rechtbank veroordeelde verdachte, maar het hof vernietigde dit vonnis en sprak hem vrij.

Het hof baseerde zich op het dossier, waarin onder meer getuigenverklaringen, technische rechercheverslagen en medische rapporten waren opgenomen. Hoewel er aanwijzingen waren dat er een schot was gelost en een slachtoffer een oppervlakkige verwonding had, kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte de dader was. Ook was onduidelijk of het gebruikte wapen daadwerkelijk dodelijk had kunnen zijn, mede doordat het vest van het slachtoffer het projectiel had afgeremd.

De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was om het daderschap en het voorwaardelijke opzet op de dood vast te stellen. Het hof vond dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevatte om te concluderen dat verdachte het schot had gelost en dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers. Daarom sprak het hof verdachte vrij van de ten laste gelegde poging tot doodslag.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs van daderschap en voorwaardelijk opzet.

Uitspraak

Parketnummer: 24-002817-10
Parketnummer eerste aanleg: 07-660157-10
Arrest van 1 april 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 november 2010 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1977] te [geboorteplaats],
niet ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie,
thans verblijvende in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad,
verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover in hoger beroep van belang, dat:
1.
hij op of omstreeks 25 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,
- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op of in het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 25 april 2010 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,
- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op, althans in de richting van, het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Vrijspraak
De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsman ten eerste aangevoerd dat op basis van de getuigenverklaringen in het dossier niet bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die op 25 april 2010 in café 70's 80's in [plaats] met een vuurwapen heeft geschoten.
Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat - mocht het hof wel tot het bewijs komen van het daderschap van de verdachte - niet bewezen kan worden dat de verdachte het (voorwaardelijke) opzet op de dood van [slachtoffer 1] (en [slachtoffer 2]) heeft gehad. Ter onderbouwing van dit betoog heeft de raadsman er onder meer op gewezen dat er in casu in het café weliswaar éénmaal is geschoten, maar dat niets kan worden vastgesteld omtrent de aard van het wapen waarmee is geschoten. Nu voorts (alleen) [slachtoffer 1] een oppervlakkige verwonding op zijn rug heeft en verbalisanten daarover relateren dat die verwonding slechts oppervlakkig is, omdat de (op de grond aangetroffen) kogel van baan/richting is veranderd door het raken van het vest dat [slachtoffer 1] droeg, kan ook niet worden vastgesteld dat het überhaupt mogelijk was om met dat wapen iemand dodelijk te treffen.
Bij de beoordeling van de verweren van de raadsman gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op zondag 25 april 2010 wordt aan de politie gemeld dat er in café 70's 80's in [plaats] een harde knal is gehoord en dat een man een verwonding aan zijn rug heeft. De politie gaat ter plaatse en treft in het café een man, [slachtoffer 1], die rugletsel heeft.
[slachtoffer 1] verklaart tegenover de politie dat hij aan de bar van het café zit, als hij een harde knal hoort en direct daarop een stekende pijn in zijn rug voelt. Hij ziet in een flits een persoon achter zich staan en heeft de indruk dat er "iets aan de hand is tussen deze persoon en [slachtoffer 2], die rechts naast mij aan de bar zit". Als [slachtoffer 1] vraagt wat er is gebeurd, verlaten beide personen zonder iets te zeggen het café. [slachtoffer 1] ontdekt op aanwijzingen van andere cafébezoekers dat zijn vest beschadigd is en dat er een oppervlakkige, bloedende, verwonding op zijn rug zit.
Verbalisanten van de technische recherche omschrijven de beschadiging van het vest als "een klein gat in de vorm van een winkelhaak". Zij zien geen kruitsporen rond het gat. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] en het proces-verbaal van de technische recherche blijkt dat op het t-shirt dat [slachtoffer 1] onder het vest droeg, weliswaar bloedvlekken te zien zijn, maar dat het t-shirt verder onbeschadigd is. Het dossier bevat geen verklaring voor deze ongerijmdheid.
Het letsel van [slachtoffer 1] wordt in het dossier onder meer omschreven als "een schaafwond" en een "oppervlakkige verwonding", links van de ruggengraat.
In de medische verklaring staat over de verwonding "cirkelvormig gekneusd weefsel afmeting 7 x 5 cm; centraal een open wond van 2 x 1 cm" en "zwelling middenrug, huid niet door". De foto's die zich van het letsel in het dossier bevinden, laten een kleine oppervlakkige verwonding zien die heeft gebloed, met daar omheen een (grotere) cirkelvormige bloeduitstorting.
[slachtoffer 2], die over het incident aanvankelijk alleen wil verklaren dat er "na een scheldpartij een Antilliaan op hem heeft geschoten", verklaart in juni 2010 dat hij een woordenwisseling heeft met een man, die hij direct daarop een vuurwapen tevoorschijn ziet halen. Direct daarop hoort hij een harde knal en ziet hij dat de man die links van hem aan de bar zit een gat in zijn vest heeft en een verwonding aan zijn rug. Met uitzondering van getuige [getuige 1] - die van respectievelijk "een wapen" en "iets zwarts" spreekt - en getuige [getuige 2] - die pas twee maanden later in zijn tweede verklaring aangeeft dat de schutter een klein(e) revolver of pistool hanteerde - verklaren de overige aanwezige cafébezoekers wel over het geluid van een (harde) knal en/of een lichtflits, maar niet over (het uiterlijk van) een wapen.
Noch onder verdachte, noch onder een ander is een (vuur)wapen in beslag genomen dat in verband kan worden gebracht met het onderhavige incident.
De verbalisanten van de technische recherche relateren in het proces-verbaal dat zij "door de schade aan het genoemde vest het vermoeden kregen dat er mogelijk toch een projectiel was verschoten". Verbalisanten hebben daarop op 27 april 2010, twee dagen na het incident, het café onderzocht op de "aanwezigheid van in- en uitschoten, munitiedelen en eventuele andere sporen". Zij treffen in het café een .22 projectiel aan, "schuin tegenover de plaats waar het schietincident zou hebben plaatsgevonden". In het café worden verder geen sporen gevonden. Buiten het café treffen verbalisanten een tweede .22 projectiel aan in de buurt van de plaats waar op 25 april 2010 een tweede schot zou zijn gelost. De verbalisanten van de technische recherche concluderen dat "in het genoemde café op zondag 25 april 2010 waarschijnlijk een schot is gelost met een vuurwapen van het kaliber .22. Het verschoten projectiel heeft een willekeurige bezoeker van het café op zijn rug geraakt. Waarschijnlijk heeft het vest welke het slachtoffer droeg zoveel kracht uit het projectiel gehaald dat het projectiel niet meer door de huid van het slachtoffer kon dringen. Het projectiel veroorzaakte een oppervlakkige verwonding op de rug van het slachtoffer".
Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden en ook overigens bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten op grond waarvan bewezen kan worden dat verdachte het voorwaardelijke opzet op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gehad. Nog daargelaten of met voldoende zekerheid valt vast te stellen of de verwonding van [slachtoffer 1] door het afvuren van het in het café aangetroffen projectiel is veroorzaakt, kan naar het oordeel van het hof op basis van het dossier niet worden vastgesteld of de ten laste gelegde gedraging in de genoemde omstandigheden de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het leven heeft geroepen.
Nu het hof ook geen aanknopingspunten ziet voor nader onderzoek, zal het hof verdachte vrijspreken van het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde. Gelet hierop hoeft het verweer van de raadsman dat niet bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die heeft geschoten, geen bespreking.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, in tegenwoordigheid van K.J. Reinke als griffier.