Parketnummer: 21-002244-10
Uitspraak d.d.: 5 april 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zutphen van 31 mei 2010 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 06-925682-07, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [verblijfplaats].
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 maart 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,
mr J. Zeegers, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
Primair
zij in de periode van 1 juli 2009 tot en met 1 september 2009 te Dinxperlo, gemeente Aalten, als houder van een of meer dieren, te weten een hond (Border Collie), tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers bleek op 1 september 2009 dat de huid op de flanken en buik van de hond rood en onrustig was en/of had de hond diverse open wondjes en/of vertoonde de hond extreme jeuk en krabde zich voortdurend en/of zat op de huid van de hond een (groot) aantal vlooien;
Subsidiair
zij in de periode van 1 juli 2009 tot en met 1 september 2009 te Dinxperlo, gemeente Aalten, als houder van een of meer dieren, te weten een hond (Border Collie), tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, niet de nodige zorg heeft verleend aan een hulpbehoevend dier, immers bleek op 1 september 2009 dat de huid van voornoemde hond op de flanken en buik rood en onrustig was en/of had de hond diverse open wondjes en/of vertoonde de hond extreme jeuk en krabde zich voortdurend en/of zat op de huid van de hond een (groot) aantal vlooien.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bevoegdheid van de politierechter in eerste aanleg
In het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en de aantekening mondeling vonnis staat vermeld dat de onderhavige zaak is behandeld door de economische politierechter. De economische politierechter was echter niet bevoegd de onderhavige zaak te behandelen, nu geen sprake is van een economisch delict.
Nu verdachte is gedagvaard te verschijnen voor de reguliere politierechter en uit het proces-verbaal van de zitting en de aantekening mondeling vonnis blijkt dat het gehele economische regelapparaat ongemoeid is gebleven, in het bijzonder dat de Wet op de economische delicten blijkens de aanhaling van de toepasselijke wetsartikelen niet is gehanteerd, gaat het hof er vanuit dat sprake is van een kennelijke misslag en dat de zaak wel door de reguliere politierechter is behandeld, of in elk geval op die wijze en als commuun delict. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Het punt hoeft niet tot terugwijzing te leiden.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Door en namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte niet de eigenaar was van de hond en niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor het onthouden van zorg aan die hond. Subsidiair is aangevoerd dat verdachte de hond wel zorg had gegeven, doch dat het genezingsproces maar langzaam op gang kwam.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat het beeld dat in het dossier wordt geschetst van de situatie waarin de verbalisanten de hond aantroffen niet duiden op adequate verzorging van die hond. Bovendien heeft de dierenarts niet aangegeven dat tekenen van herstel zichtbaar waren.
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij in de periode van 1 juli 2009 tot en met 1 september 2009 te Dinxperlo, gemeente Aalten, als houder van een of meer dieren, te weten een hond (Border Collie), tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers bleek op 1 september 2009 dat de huid op de flanken en buik van de hond rood en onrustig was en/of had de hond diverse open wondjes en/of vertoonde de hond extreme jeuk en krabde zich voortdurend en/of zat op de huid van de hond een (groot) aantal vlooien.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op het misdrijf:
Zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof acht oplegging van een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Gelet op de financiële situatie van verdachte en teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst soortgelijke strafbare feiten te plegen, zal het hof de geldboete geheel voorwaardelijk opleggen.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Zutphen van 7 mei 2008 opgelegde voorwaardelijke geldboete. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Gelet op de financiële situatie van veroordeelde zal het hof bepalen dat de geldboete in termijnen mag worden betaald.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 14h, 14i, 14j, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 37, 121 en 122 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tenuitvoerlegging
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zutphen van 7 mei 2008, te weten van:
- een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 50,00 (vijftig euro).
Aldus gewezen door
mr B.P.J.A.M. van der Pol, voorzitter,
mr H.W. Koksma en mr L.E.M. Hendriks, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,
en op 5 april 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr L.E.M. Hendriks is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.