ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2028

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
20 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-002104-10
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 9 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk telen van hennepplanten in woning

Het gerechtshof Arnhem heeft het vonnis van de politierechter in hoger beroep vernietigd en opnieuw recht gedaan. Verdachte werd ten laste gelegd dat hij tussen 1 oktober 2008 en 16 december 2008 in zijn woning in een gemeente opzettelijk 67 hennepplanten teelde. De verdediging voerde aan dat de politie onrechtmatig de woning betrad en dat verdachte tijdens de periode gedetineerd was, waardoor hij niet verantwoordelijk kon zijn voor de kwekerij.

Het hof oordeelde dat de politie op grond van een MMA-melding en een warmtemeting gerechtigd was de woning te betreden. De stelling dat de planten pas tijdens de detentie van verdachte waren geplaatst, werd niet aannemelijk geacht. De verklaringen van getuigen die van de kwekerij afwisten, konden dit niet onderbouwen.

Het hof achtte bewezen dat verdachte opzettelijk 67 hennepplanten teelde, wat een strafbaar feit is volgens artikel 3, onder B, van de Opiumwet. Gelet op de landelijke oriëntatiepunten werd een geldboete van €500,- opgelegd, met vervangende hechtenis van 10 dagen bij niet-betaling. Het hof hield rekening met de eerdere veroordelingen van verdachte en zijn financiële draagkracht.

Het hof verklaarde niet bewezen dat verdachte meer planten teelde dan de 67 aangetroffen exemplaren en sprak hem daarvan vrij. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het arrest van het hof is bindend.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €500,- met vervangende hechtenis van 10 dagen bij niet-betaling.

Uitspraak

Parketnummer: 24-002104-10
Parketnummer eerste aanleg: 07-601166-09
Arrest van 20 april 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 31 augustus 2010 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
volgens het gba-uittreksel van 6 april 2011 ingeschreven te [woonplaats], [adres],
volgens opgave van de raadsman wonende te [woonplaats], [adres],
niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte,
mr. O. Bolluyt, advocaat te Almere.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
hij in of omstreeks 1 oktober 2008 t/m 16 december 2008 in de gemeente [gemeente] opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 115, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Bespreking verweren
I
De raadsman heeft aangevoerd dat de verbalisanten onrechtmatig de woning van verdachte zijn binnengetreden. Hiertoe is aangevoerd dat de MMA-melding, naar aanleiding waarvan het onderzoek is gestart, te weinig informatie bevat op grond waarvan verbalisanten gerechtigd waren de woning te betreden. De vruchten van het handelen dienen volgens de raadsman van het bewijs te worden uitgesloten, hetgeen vrijspraak van verdachte tot gevolg zal moeten hebben.
Het hof overweegt hieromtrent dat de MMA-melding met behulp van een warmtemeting door verbalisanten is geverifieerd. Bij die meting werd een grote warmtebron gelokaliseerd op de zolder van het pand waarin verdachte woonde. Verbalisanten hebben vervolgens op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Opiumwet verdachtes woning betreden.
Het hof is van oordeel dat op grond van de MMA-melding, in combinatie met de resultaten van die verificatie, een redelijk vermoeden in de zin van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Opiumwet kan worden afgeleid, op grond waarvan de verbalisanten gerechtigd waren de woning te betreden. Het verweer wordt daarom verworpen.
II
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte in de ten laste gelegde periode geen hennep heeft geteeld. Daartoe is aangevoerd dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde gedetineerd zat en dat er destijds twee personen in zijn woning verbleven, [getuige 1] en [getuige 2], die verklaard hebben dat zij afwisten van het bestaan van de kwekerij.
Voorts is aangevoerd dat niet valt uit te sluiten dat de planten pas in een vergevorderd stadium van de groeicyclus door anderen dan verdachte in zijn woning zijn geplaatst zodat verdachte, die gedetineerd zat, niet kan hebben geweten van de aanwezigheid van de hennepkwekerij. Op grond van het voorgaande dient volgens de raadsman vrijspraak van het ten laste gelegde te volgen.
Het hof acht het, gelet op de aanwezigheid van de kwekerij in verdachtes woning, de aanwezigheid van en de conditie waaronder kwekerij-gerelateerd materiaal in de woning is aangetroffen en waaruit kan worden afgeleid dat er eerdere oogsten hebben plaatsgevonden en de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] dat zij afwisten van de aanwezigheid van de kwekerij in de woning van verdachte, niet aannemelijk dat de hennepkwekerij is opgebouwd tijdens de detentie van verdachte. Dit te meer nu van de zijde van de verdediging geen omstandigheden zijn aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat de planten pas in een vergevorderd groeistadium in de woning van verdachte zijn gebracht noch dat het hof dit anderszins heeft kunnen constateren.
Bewezenverklaring
Het hof acht ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:
hij in de periode van 1 oktober 2008 t/m 16 december 2008 in de gemeente [gemeente] opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) 67 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.
Anders dan de advocaat-generaal, die een groter aantal planten bewezen acht, zich daarbij baserend op een in het dossier aangetroffen berekening gebaseerd op een normatief aantal planten per (beschikbare) vierkante meter, gaat het hof bij de bewezenverklaring uit van het aantal inbeslaggenomen en aldus aangetroffen planten, te weten in totaal 67 hennepplanten inclusief de 24 gerooide hennepplanten.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid
Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk telen van 67 hennepplanten in zijn woning. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennep een stof is die, eenmaal in het verkeer gebracht, schadelijk kan zijn en risico's meebrengt voor de gezondheid van gebruikers en mede daardoor schade van velerlei aard in de samenleving veroorzaakt.
Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 februari 2011, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten. Die veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Gelet op de landelijke oriëntatiepunten zal het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf niet opleggen, nu blijkens die oriëntatiepunten met een geldboete kan worden volstaan. Het hof acht een geldboete in deze zaak ook een passende sanctie. Gelet op het bewezen verklaarde aantal planten, kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met een geldboete van € 500,-, te vervangen door 10 dagen hechtenis. Daarbij is rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;
veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijfhonderd euro;
beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter, mr. K. Lahuis en mr. O. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier.