ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2592
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Meijer-Campfens
- Lahuis
- Dolfing
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak uitkeringsfraude wegens ontbreken bewijs inkomsten en kennis werkzaamheden
In deze zaak stond verdachte terecht voor het medeplegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk nalaten van het tijdig verstrekken van gegevens aan de uitkeringsinstantie. Het primair ten laste gelegde betrof het valselijk opgeven van geen inkomsten te hebben genoten, terwijl het subsidiair ten laste gelegde betrekking had op het niet melden van werkzaamheden die van belang konden zijn voor de bijstandsuitkering.
Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte en haar echtgenoot inkomsten hebben genoten in de ten laste gelegde periode. Tevens is niet vastgesteld dat zij wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat de werkzaamheden van de echtgenoot bij het bedrijf van zijn neef relevant waren voor de bijstandsuitkering. De werkzaamheden werden vooral gezien als sociale contacten en dagbesteding, mede vanwege de analfabetisme van de echtgenoot.
Hoewel de bestuursrechter eerder oordeelde dat een deel van de werkzaamheden als op geld waardeerbaar kon worden aangemerkt, leidt dit niet tot een strafrechtelijke veroordeling. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van uitkeringsfraude wegens ontbreken van bewijs voor inkomsten en kennis van relevante werkzaamheden.