ECLI:NL:GHARN:2011:BQ4476

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
13 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
21-002569-10
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 SrArt. 50 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 368 SvArt. 422 SvArt. 423 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over ne bis in idem bij disciplinaire straf en strafrechtelijke vervolging

In deze zaak stond de vraag centraal of een disciplinaire straf opgelegd door de directeur van een penitentiaire inrichting, gevolgd door strafrechtelijke vervolging wegens dezelfde gedraging, in strijd is met het ne bis in idem-beginsel.

De politierechter had het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard omdat hij oordeelde dat de disciplinaire straf gelijk stond aan een strafrechtelijke procedure, waardoor vervolging niet mogelijk zou zijn. Het hof stelde echter vast dat de disciplinaire straf niet in het kader van een strafrechtelijke procedure is opgelegd en dat artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht daarom niet van toepassing is.

Ook het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verzet zich niet tegen vervolging na een disciplinaire straf. De advocaat-generaal benadrukte dat de juridische aard van de disciplinaire straf en de strafrechtelijke vervolging verschillend zijn, waardoor geen sprake is van hetzelfde feit in juridische zin.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en wees de zaak terug naar de rechtbank Almelo voor verdere behandeling, met inachtneming van de overwegingen in dit arrest. Tevens overwoog het hof dat de zaak niet door de enkelvoudige kamer behandeld had moeten worden vanwege de complexiteit.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Uitspraak

Sector strafrecht
Parketnummer: 21-002569-10
Uitspraak d.d.: 13 mei 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Almelo van 8 juli 2010 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer
08-750654-07, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te Hengelo (O) in 1983,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 april 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr J.B.A. Kalk, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting aangevoerd dat zij – anders dan de politierechter – van oordeel is dat de aan verdachte opgelegde disciplinaire straf op grond van de Penitentiaire Beginselenwet niet als een strafrechtelijke procedure kan worden geclassificeerd en evenmin als een straf die gelijkgesteld kan worden aan een veroordeling door een rechterlijke instantie. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de juridische aard van de feiten compleet verschillend is en dat de gedragingen van verdachte overeenkomstig zijn. Volgens haar bepalen beide criteria of er sprake kan zijn van hetzelfde feit. Dat is hier op grond van de juridische aard dus niet het geval.
Concluderend heeft de advocaat-generaal gesteld dat het openbaar ministerie derhalve wel ontvankelijk is in haar vervolging en heeft zij verzocht om terugwijzing van de zaak.
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort gezegd – aangevoerd dat er sprake is van ne bis in idem en dat de officier van justitie terecht door de politierechter niet ontvankelijk is verklaard.
Naar het oordeel van het hof kan van de disciplinaire straf die door de directeur van de Penitentiaire Inrichting te Almelo aan verdachte is opgelegd niet gezegd worden dat deze is opgelegd in het kader van een strafrechtelijke procedure, zodat artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is. Daarnaast is het hof van oordeel dat, in het verlengde van deze constatering, artikel 50 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zich evenmin verzet tegen een strafrechtelijke vervolging van verdachte. De officier van justitie is derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.
Het hof zal derhalve het vonnis van de politierechter vernietigen, waarbij het hof ten overvloede overweegt dat, gelet op de reikwijdte van de in het geding zijnde rechtsvraag, er geen sprake was van een zaak van eenvoudige aard, zoals bedoeld in artikel 368 van Pro het Wetboek van Strafvordering, zodat de zaak niet door de enkelvoudige kamer van de rechtbank had behoren te worden behandeld. Voorts zal het hof, gelet op het te dien aanzien door de advocaat-generaal ingenomen standpunt de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering terugwijzen naar de rechtbank.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis van de politierechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank Almelo, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Aldus gewezen door
mr A.W.M. Elders, voorzitter,
mr A.E. Harteveld en mr R.W. van Zuijlen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr H.J. Jansen, griffier,
en op 13 mei 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.