Art. 184 SrArt. 447e SrArt. 378a SvArt. 55 lid 2 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontslag van rechtsvervolging wegens specialiteitsbeginsel bij identificatieplicht
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het opzettelijk niet voldoen aan een legitimatieplicht, zoals omschreven in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Het hof oordeelde dat artikel 447e Sr als een systematische specialis moet worden beschouwd ten opzichte van artikel 184 SrPro, dat een algemenere strafbepaling is met een zwaarder opzetvereiste.
De rechtbank had verdachte vrijgesproken voor een feit, maar het hof verklaarde het hoger beroep niet ontvankelijk voor dat onderdeel. Het hof vernietigde het vonnis voor het overige wegens formele gebreken en deed opnieuw recht. Uit het bewijs bleek dat verdachte op 23 april 2009 in Utrecht opzettelijk geen legitimatiebewijs overhandigde aan een politieagent die daartoe bevoegd was.
Echter, vanwege het specialiteitsbeginsel en de bedoeling van de wetgever om een lichtere, specifieke strafbepaling te hanteren voor het niet voldoen aan de identificatieplicht, kon het feit niet worden gekwalificeerd als overtreding van artikel 184 SrPro. Daarom sprak het hof verdachte vrij en verleende ontslag van alle rechtsvervolging.
Het arrest benadrukt het belang van een juiste kwalificatie van strafbare feiten en de verhouding tussen algemene en bijzondere strafbepalingen, waarbij de bijzondere bepaling prevaleert.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken en ontslagen van alle rechtsvervolging wegens toepassing van het specialiteitsbeginsel.
Uitspraak
Sector strafrecht
Parketnummer: 21-002583-09
Uitspraak d.d.: 23 mei 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 30 juni 2009 in de strafzaak tegen
[Verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende [adres].
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 mei 2011.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr W.C. den Daas, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken voor het onder 1 tenlastegelegde feit. Hoger beroep tegen deze gegeven vrijspraak staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet ontvankelijk verklaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het vonnis op de voet van artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering is aangetekend en daarom niet de in hoger beroep voorgeschreven vermeldingen bevat. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
2.
hij op of omstreeks 23 april 2009 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 447e Wetboek van Strafrecht, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [naam verbalisant] (agent van politie Utrecht), die was belast met incidentafhandeling, althans met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem (meermalen) had bevolen, althans van hem had gevorderd zijn legitimatiebewijs te overhandigen, geen gevolg gegeven aan dit/deze bevel(en) of die vordering(en).
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op of omstreeks 23 april 2009 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 447e Wetboek van Strafrecht, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [naam agent] (agent van politie Utrecht), die was belast met incidentafhandeling, althans met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem (meermalen) had bevolen, althans van hem had gevorderd zijn legitimatiebewijs te overhandigen, geen gevolg gegeven aan dit/deze bevel(en) of die vordering(en).
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het hof zal allereerst moeten stilstaan bij de vraag, of de strafbepalingen van artikel 184 vanPro het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 447e Sr zich tot elkaar verhouden als specialis en generalis, in welk geval krachtens artikel 55 lid 2 SrPro alleen de bijzondere bepaling in aanmerking komt.
Het hof stelt vast, dat van een logische specialiteit niet kan worden gesproken, omdat artikel 184 SrPro ten opzichte van artikel 447e Sr het bijzondere kenmerk heeft, dat opzet vereist is; daarentegen heeft artikel 447e het bijzondere kenmerk, dat het verbod slechts van toepassing is op niet voldoen aan één bijzondere verplichting, namelijk die tot legitimatie.
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet op de uitgebreide identificatieplicht en de daarmee gepaarde wijzigingen van enkele andere wetten (Kamerstukken II 2003-2004, 29218, nr 3, p. 16) blijkt het volgende.
“Nagegaan is op welke wijze het best kan worden opgetreden tegen het niet nakomen van de identificatieplicht. Het betreft in het bijzonder de vraag of een nieuwe strafbaarstelling moet worden geïntroduceerd of dat met de huidige strafbedreiging van artikel 184 SrPro kan worden volstaan. (…).
De regering geeft de voorkeur aan een aparte strafbaarstelling, waarin de relatieve ernst van het strafbaar feit beter tot uitdrukking wordt gebracht. (…). Vervolging op grond van het misdrijf van artikel 184 SrPro is in theorie weliswaar mogelijk, maar is als justitiële reactie veelal disproportioneel, vooral als de aanleiding aanhouding voor een overtreding of optreden in het kader van de openbare orde was. Met de specifieke strafbaarstelling van het niet voldoen aan de identificatieplicht kan een betere proportionele reactie worden gegeven.”
De aparte strafbaarstelling is uiteindelijk neergelegd in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. In de onderhavige zaak is voor het niet voldoen aan deze zogenaamde identificatieplicht echter het overtreden van artikel 184 vanPro het Wetboek van Strafrecht ten laste gelegd. Naar het oordeel van het hof moet – gelet op bovenstaand citaat, waaruit valt af te leiden, dat de wetgever een bijzondere, lichtere strafbepaling in het leven wenste te roepen, – artikel 447e Wetboek van Strafrecht beschouwd worden als een systematische specialis van artikel 184 WetboekPro van Strafrecht. Dit leidt ertoe, dat het door het hof bewezenverklaarde feit niet kan worden gekwalificeerd als overtreding van artikel 447e Wetboek van Strafrecht en dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Aldus gewezen door
mr J.M.J. Denie, voorzitter,
mr E. van der Herberg en mr J.H.M. Zwinkels, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr G.J.B. van Weegen, griffier,
en op 23 mei 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr J.H.M. Zwinkels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.