ECLI:NL:GHARN:2011:BQ6232
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing uitvoerbaarheid kinderalimentatie na echtscheiding
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank betreffende kinderalimentatie afgewezen. De man stelde dat zijn financiële situatie na de beschikking aanzienlijk was verslechterd, waardoor hij de alimentatie niet meer kon betalen zonder in een noodtoestand te verkeren.
De rechtbank had eerder bepaald dat de man aan de vrouw € 535 per kind per maand moest betalen voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. De man betoogde dat hij geen inkomen meer had uit zijn ondernemingen en dat het stoppen van zijn WW-uitkering zijn betalingscapaciteit verder beperkte. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk geen inkomen had en dat het ontbreken van inkomsten niet zodanig nieuw was dat het tot schorsing van de beschikking moest leiden.
Verder overwoog het hof dat de man zich bewust was van de financiële risico's van het starten van een onderneming en dat de financiële situatie niet zodanig was gewijzigd dat een noodtoestand ontstond die niet voorzienbaar was. Het belang van de vrouw bij de uitvoerbaarheid van de alimentatie woog zwaarder dan het belang van de man bij schorsing. Daarom werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van de kinderalimentatie af.