ECLI:NL:GHARN:2011:BQ8065
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- H. van Loo
- B.M. Mens
- B.F. Keulen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek grootmoeder tot omgangsregeling met kleinkind wegens ontbreken nauwe persoonlijke betrekking
In deze zaak stond de vraag centraal of de grootmoeder recht had op omgang met haar kleinkind, nu de moeder dit betwistte. De grootmoeder had bij de rechtbank een omgangsregeling verzocht, welke gedeeltelijk werd toegewezen. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek van de grootmoeder af te wijzen.
Het hof overwoog dat het biologisch grootouderschap op zichzelf onvoldoende is om het bestaan van 'family life' aan te nemen zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 EVRM Pro. De grootmoeder moest bijkomende concrete omstandigheden aanvoeren waaruit een nauwe persoonlijke betrekking met het kind kon worden afgeleid. Het hof stelde vast dat het contact tussen grootmoeder en kleinkind beperkt was, mede doordat het gezin na het overlijden van de vader het contact met de schoonfamilie had verbroken.
De grootmoeder had slechts sporadisch op het kind gepast en het hof vond onvoldoende bewijs voor een intensieve en frequente relatie die het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking zou rechtvaardigen. Ook de jonge leeftijd van het kind bood geen reden om het begrip 'family life' ruimer te interpreteren. Daarom werd het verzoek van de grootmoeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank vernietigd.
De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De moeder werd in haar verzoek om uitvoerbaarheid bij voorraad afgewezen. De achternaam van het kind was onjuist gespeld in de eerdere beschikking, maar dit leidde niet tot een andere beslissing.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de grootmoeder tot omgang met het kleinkind af wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking.