ECLI:NL:GHARN:2011:BR4514
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- I.A. Katz-Soeterboek
- E.B. Knottnerus
- W. Duitemeijer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kennelijk onredelijk ontslag wegens reorganisatie en bedrijfsbeëindiging
Appellant, sinds 1984 in dienst bij Ploeg Ede, werd per 1 augustus 2009 ontslagen zonder ontslagvergoeding. Ploeg Ede beëindigde haar bedrijfsactiviteiten vanwege slechte financiële situatie en mislukte overnameonderhandelingen. Appellant betoogde dat het ontslag kennelijk onredelijk was op grond van artikel 7:681 BW Pro, mede vanwege het ontbreken van een vergoeding en het niet naleven van de Wet melding collectief ontslag (WMCO).
Het hof oordeelde dat het ontslag inderdaad kennelijk onredelijk was. Hoewel Ploeg Ede een zwaarwegend belang had bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst vanwege bedrijfsbeëindiging, had zij onvoldoende rekening gehouden met de financiële gevolgen voor appellant en andere werknemers van de tweede ontslagronde. De toekenning van een vergoeding aan de eerste ontslagronde, maar niet aan de tweede, was onrechtvaardig.
Verder concludeerde het hof dat Ploeg Ede onvoldoende had onderzocht of de nadelige gevolgen voor de werknemers konden worden beperkt nadat de overnameonderhandelingen waren gestrand. Het hof bepaalde dat partijen een comparitie moesten houden om nadere informatie te verstrekken en te onderzoeken of een minnelijke regeling mogelijk was. De beslissing werd aangehouden in afwachting daarvan.
Uitkomst: Het ontslag van appellant is kennelijk onredelijk en toekenning van een schadevergoeding is passend, met een comparitie voor nadere afwikkeling.