ECLI:NL:GHARN:2011:BT2895
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- S. Zwerwer
- O. Anjewierden
- J. Dolfing
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf bij schending WWB-inlichtingenplicht
In deze strafzaak ging het om de vraag of verdachte in de periode van 2 mei 2002 tot en met 30 april 2005 de inlichtingenplicht uit artikel 17 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB) had geschonden door niet tijdig en volledig te melden dat een ander persoon een gezamenlijke huishouding voerde met verdachte of dat deze persoon zijn hoofdverblijf had op het adres van verdachte.
De politierechter had verdachte veroordeeld, maar het hof vernietigde dit vonnis omdat het tot een andere bewijsbeslissing kwam. Het hof nam het dossier en de verklaringen ter terechtzitting in hoger beroep in ogenschouw en oordeelde dat er onvoldoende overtuigend bewijs was dat verdachte daadwerkelijk een gezamenlijke huishouding voerde met de betreffende persoon of dat deze persoon zijn hoofdverblijf had op het adres van verdachte.
Het hof hechtte daarbij waarde aan de consistente verklaringen van verdachte over de aanwezigheid van de persoon in verband met de kinderen en vond dat het dossier aanknopingspunten bevatte die deze verklaring ondersteunden. Hierdoor kon het hof niet vaststellen dat verdachte de inlichtingenplicht had geschonden en sprak hij verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.
Het vonnis werd vernietigd en de zaak werd opnieuw behandeld, waarbij het hof tot vrijspraak kwam. De strafvordering van de advocaat-generaal tot oplegging van een werkstraf of hechtenis werd afgewezen.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij de inlichtingenplicht WWB heeft geschonden.