ECLI:NL:GHARN:2011:BT2895

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
9 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-000080-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWBArt. 422 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf bij schending WWB-inlichtingenplicht

In deze strafzaak ging het om de vraag of verdachte in de periode van 2 mei 2002 tot en met 30 april 2005 de inlichtingenplicht uit artikel 17 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB) had geschonden door niet tijdig en volledig te melden dat een ander persoon een gezamenlijke huishouding voerde met verdachte of dat deze persoon zijn hoofdverblijf had op het adres van verdachte.

De politierechter had verdachte veroordeeld, maar het hof vernietigde dit vonnis omdat het tot een andere bewijsbeslissing kwam. Het hof nam het dossier en de verklaringen ter terechtzitting in hoger beroep in ogenschouw en oordeelde dat er onvoldoende overtuigend bewijs was dat verdachte daadwerkelijk een gezamenlijke huishouding voerde met de betreffende persoon of dat deze persoon zijn hoofdverblijf had op het adres van verdachte.

Het hof hechtte daarbij waarde aan de consistente verklaringen van verdachte over de aanwezigheid van de persoon in verband met de kinderen en vond dat het dossier aanknopingspunten bevatte die deze verklaring ondersteunden. Hierdoor kon het hof niet vaststellen dat verdachte de inlichtingenplicht had geschonden en sprak hij verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.

Het vonnis werd vernietigd en de zaak werd opnieuw behandeld, waarbij het hof tot vrijspraak kwam. De strafvordering van de advocaat-generaal tot oplegging van een werkstraf of hechtenis werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij de inlichtingenplicht WWB heeft geschonden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
NEVENZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN
Sector strafrecht
Parketnummer: 24-000080-11
Uitspraak d.d.: 9 september 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 januari 2011 in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1981],
wonende te [woonplaats], [adres].
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 augustus 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een werkstraf van 90 uren, subsidiair te vervangen door 45 dagen hechtenis, waarvan 30 uren voorwaardelijk, subsidiair te vervangen door 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,
mr. E. Schriemer, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 2 mei 2002 t/m 30 april 2005 te [plaats], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten verdachtes WWB-uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming,
immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk nagelaten om onverwijld uit eigen beweging de eenheid Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente [gemeente], althans de burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente], er tijdig en/of volledig van op de hoogte te stellen dat verdachte met [naam] op verdachtes adres een gezamenlijke huishouding voerde, althans dat die [naam] op verdachtes adres zijn hoofdverblijf had.
In de tenlastelegging zijn taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet de overtuiging bekomen dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde periode een gezamenlijke huishouding voerde met [naam], dan wel dat hij op verdachtes adres zijn hoofdverblijf had. In het bijzonder heeft het hof daarbij gelet op het feit dat verdachte telkens consequent heeft verklaard omtrent de aanwezigheid van [naam] in verband met de kinderen, terwijl zich in het dossier voor deze verklaring van verdachte meerdere aanknopingspunten bevinden. Verdachte dient vrijgesproken te worden van het haar ten laste gelegde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. S. Zwerwer, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. J. Dolfing, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K.J. Reinke, griffier,
en op 9 september 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.