ECLI:NL:GHARN:2011:BT7071
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken bewijs voor onrechtmatig voeren van de benaming accountant
In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens het onrechtmatig voeren van de benaming accountant zonder dat hij was ingeschreven in het register van registeraccountants, in strijd met artikel 41 lid 1 van Pro de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten. De tenlastelegging betrof het gebruik van de term 'accountant' in de bedrijfsnaam en op diverse communicatiemiddelen in de periode van maart 2007 tot maart 2009.
De officier van justitie had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, maar het hof constateerde dat een essentiële zinsnede, namelijk dat daardoor bij het publiek redelijkerwijs de indruk moet worden gewekt dat verdachte tot het voeren van die benaming gerechtigd was, ontbrak in de tenlastelegging. Dit vormde een fundamenteel gebrek waardoor het feit niet bewezen kon worden verklaard.
Verdachte presenteerde zich niet als registeraccountant maar voerde zijn eigen naam. Gezien het ontbreken van deze zinsnede vernietigde het hof het vonnis van de kantonrechter en sprak verdachte vrij. Het hof deed opnieuw recht en verklaarde het tenlastegelegde niet bewezen.
Het arrest werd gewezen door mr J.A.W. Lensing, voorzitter, mr R. de Groot en mr J.F.L. Roording, raadsheren, waarbij mr J.F.L. Roording buiten staat was het arrest mede te ondertekenen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens het ontbreken van bewijs voor het onrechtmatig voeren van de benaming accountant.