ECLI:NL:GHARN:2011:BT7343

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
12 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-003021-07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennephandel vastgesteld op 2.912 euro

Het gerechtshof Arnhem heeft in hoger beroep de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in hennep behandeld. De handel vond plaats in de periode van 1 mei 2005 tot en met 17 maart 2006. Op basis van verklaringen en aangetroffen hoeveelheden is de winst berekend op 5.824 euro, waarvan de helft, 2.912 euro, aan de veroordeelde wordt toegerekend.

De verdediging stelde dat bedrijfskundige kosten van 2.964,50 euro in mindering gebracht moesten worden, maar het hof oordeelde dat deze kosten ook zonder strafbare feiten zouden zijn gemaakt en daarom niet aftrekbaar zijn. Verder werd rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn van berechting, waardoor de betalingsverplichting met 20% werd verminderd tot 2.329 euro.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad en deed opnieuw recht. Het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op 2.912 euro en de verplichting tot betaling aan de Staat op 2.329 euro. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 12 oktober 2011 in Arnhem.

Uitkomst: Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op 2.912 euro en de betalingsverplichting aan de Staat op 2.329 euro na korting wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
nevenzittingsplaats Leeuwarden
Sector strafrecht
Parketnummer: 24-003021-07
Uitspraak d.d.: 12 oktober 2011
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 november 2007 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [1943],
thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Overijssel, PIV HvB Zwolle te Zwolle.
Het hoger beroep
De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 14 maart 2011, 28 september 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk genoten voordeel op een bedrag van € 2.888,50 en vaststelling van het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag op € 2.600,00. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens veroordeelde door haar raadsman, mr. A.R. Maarsingh, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 2.888,50 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 2.888,50. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 2.888,50 en dat aan veroordeelde, rekening houdende met het tijdsverloop, wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.600,--.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 18 juli 2008 (parketnummer 24-001846-06) terzake van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en de handel in cocaïne en hennep veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 2.921,--. Het hof komt als volgt tot deze schatting:
Periode
Bewezen is verklaard dat het handelen in verdovende middelen door de familie [naam], waaronder veroordeelde, heeft plaatsgevonden in de periode 1 mei 2005 tot en met 17 maart 2006. Dit betreft een periode van 320 dagen.
Aantal verkopen
Veroordeelde heeft verklaard dat er per dag minimaal 7 gebruikers kwamen kopen. Het aantal verkopen is dan (7 x 320 dagen) 2240.
Inkoopprijs
In de woning van veroordeelde aangetroffen 74 gripzakjes met hennep zat een totale hoeveelheid van 50,7 gram. Gemiddeld is dit 0,69 gram per zakje (50,7 gram / 74 zakjes). De inkoopprijs was gemiddeld € 3,50 per gram. Per zakje is dan de inkoopprijs € 2,40.
Verkoopprijs
Door meerderen is verklaard dat zij voor een zakje hennep bij veroordeelde en haar familie een bedrag van € 5,00 betaalden.
Totaal door de familie [naam] verkregen winst
Per zakje is de winst € 2,60 (verkoop € 5,00 - inkoop € 2,40). Totaal is de winst dan
€ 5.824,00 (aantal verkopen 2240 x winst per zakje € 2,60).
De aan veroordeelde toe te rekenen winst
Uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht is gebleken dat veroordeelde en haar zoon [zoon 1 van veroordeelde] het voordeel hebben genoten van vorengenoemde winst. De andere zoon van veroordeelde, [zoon 2 van veroordeelde], mocht blijkens diverse verklaringen kennelijk geen geld bij zich hebben. Dat hij daadwerkelijk heeft meegedeeld in de winst is niet aannemelijk geworden. Derhalve wordt de helft van de winst vastgesteld als zijnde het door veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit is € 2.912,00 (€ 5.824,00 / 2).
Aftrek kosten?
Door de verdediging is ter terechtzitting van het hof op 28 september 2011 naar voren gebracht dat op het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 2.964,50 wegens 'bedrijfskundige kosten' in mindering moet worden gebracht. Dit betreft de kosten van huur en verwarming van de woning van waaruit de handel in verdovende middelen plaatsvond.
Deze kosten worden niet in mindering gebracht op het genoten wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien deze kosten ook zouden zijn gemaakt als de strafbare feiten waren uitgebleven.
De verplichting tot betaling aan de Staat
De redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens is overschreden. Verdachte heeft op 4 december 2007 hoger beroep ingesteld. Na het instellen van hoger beroep zijn er bijna vier jaren verstreken. Er is sprake van een grote overschrijding van de redelijke termijn. Het hof acht op grond daarvan een vermindering van de betalingsverplichting met 20 procent, zijnde € 582,40, redelijk.
Dit in aanmerking nemende zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van (afgerond) € 2.329,--, zijnde € 2.912,00 minus € 582,40.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van EUR 2.912,00 (tweeduizend negenhonderdtwaalf euro).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van EUR 2.329,00 (tweeduizend driehonderdnegenentwintig euro).
Aldus gewezen door
mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,
mr. L.T. Wemes en mr. G. Dam, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,
en op 12 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. G.M. Meijer-Campfens was buiten staat dit arrest te ondertekenen.