ECLI:NL:GHARN:2011:BV7052
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- R.A.V. Boxem
- J.P.M. Kooijmans
- J.B.H. Röben
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake alleenstaande-ouderkorting en contante stortingen in inkomstenbelasting
Belanghebbende, ongehuwd en moeder van vier kinderen, voerde in 2002 en 2003 een gemeenschappelijke huishouding met de vader van haar kinderen, Y. De Inspecteur legde navorderingsaanslagen op waarbij het belastbare inkomen werd verhoogd vanwege contante stortingen en een bedrag van €4.000 dat verband hield met de overname van roerende zaken. Belanghebbende voerde aan dat zij recht had op de alleenstaande-ouderkorting en dat de contante stortingen niet als inkomen moesten worden belast.
De Rechtbank Arnhem oordeelde dat belanghebbende geen recht had op de alleenstaande-ouderkorting en dat de navorderingsaanslag over 2003 terecht was verminderd. Zowel belanghebbende als de Inspecteur stelden hoger beroep in tegen delen van deze uitspraak. Het Hof bevestigde dat belanghebbende geen recht had op de alleenstaande-ouderkorting omdat zij een gemeenschappelijke huishouding voerde met Y. Ook achtte het Hof het aannemelijk dat de contante stortingen op de bankrekening van belanghebbende in 2003 afkomstig waren uit belastbare inkomsten, omdat belanghebbende geen aannemelijke verklaring kon geven.
Verder oordeelde het Hof dat de navorderingsaanslagen binnen de wettelijke termijnen waren opgelegd en dat de heffingsrente correct was berekend. De stelling van belanghebbende dat zij onjuist was gehoord werd verworpen omdat geen hoorgesprek had plaatsgevonden en dit ook niet was verlangd. Het bedrag van €4.000 dat door C was gestort in verband met de overname van roerende zaken werd als belastbaar inkomen erkend, ondanks dat de verkoop niet doorging.
Het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur werden ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd. Daarnaast werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €874 aan belanghebbende.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur zijn ongegrond verklaard; de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd.