ECLI:NL:GHARN:2012:BV6716

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
22 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
avnr 215-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a SvArt. 69 SvArt. 71 lid 4 SvArt. 5 lid 4 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voorlopige hechtenis wegens georganiseerde drugshandel ondanks onwenselijk lange duur hoger beroep

Het gerechtshof Arnhem heeft op 22 februari 2012 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Almelo van 7 december 2011, waarin het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte was afgewezen.

De raadsman van verdachte voerde aan dat de voorlopige hechtenis opgeheven moest worden vanwege de lange periode tussen het instellen van het hoger beroep op 8 december 2011 en de behandeling daarvan op 22 februari 2012. Het hof constateerde dat deze vertraging het gevolg was van ambtelijke misslagen en daarmee onwenselijk lang was, wat een vormverzuim opleverde.

Desondanks oordeelde het hof dat de ernst van de ten laste gelegde feiten – georganiseerde handel in hard- en softdrugs over meerdere jaren – zwaarwegend is. De maatschappelijke belangen bij voortzetting van de voorlopige hechtenis prevaleren, temeer daar de gronden voor de hechtenis nog steeds aanwezig zijn en er geen ernstige kans is dat verdachte bij veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf krijgt of langer vast blijft dan de strafduur.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de rechtbank en handhaafde de voorlopige hechtenis, met inachtneming van de artikelen 67a en 69 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.

Uitkomst: Het hof bevestigt de voorlopige hechtenis van verdachte ondanks de onwenselijk lange duur van het hoger beroep.

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem
pkn: 08-700183-11
avnr: 000215- 07
Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door
{verdachte},
geboren te {geboorteplaats} op {geboortedatum},
verblijvende in het huis van bewaring te
Het hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Almelo van 7 december 2011, houdende de afwijzing van het ter terechtzitting gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door mr J. Michels, advocaat te Amersfoort, in raadkamer van heden.
Het hof heeft gezien bovengenoemde beslissing en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 8 december 2011.
OVERWEGINGEN:
In raadkamer van heden heeft de raadsman aangevoerd dat de voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven, alleen al gelet op de lange periode tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling daarvan .
Het hof stelt vast dat tussen het tijdstip van instellen van hoger beroep (8 december 2011) en de behandeling in raadkamer van heden (22 februari 2012) ,van dat beroep kennelijk door ambtelijke misslagen een geruime periode is verstreken. Dit tijdsverloop moet als zeer onwenselijk lang worden beschouwd, waardoor op het hoger beroep, anders dan in artikel 71 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering is bepaald, niet zo spoedig mogelijk meer kan worden beslist door het hof. Tevens kan niet meer worden gezegd dat de beslissing op het ingestelde rechtsmiddel ‘spoedig’ als bedoeld in artikel 5 lid 4 van Pro het EVRM plaatsvindt.
Het hof constateert dat er sprake is van een vormverzuim.
Dit verzuim dient er in de onderhavige situatie, rekening houdend met het feit dat de zaak reeds op zitting is geweest en de voorlopige hechtenis van verdachte onder controle van de zittingsrechter staat, echter niet toe te leiden dat de voorlopige hechtenis van verdachte om die reden moet worden opgeheven.
Het hof laat daarbij de ernst van de ten laste gelegde feiten zwaar wegen. Deze betreffen – kort gezegd – georganiseerde handel in harddrugs en softdrugs gedurende een periode van enkele jaren. Het maatschappelijk belang, dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis wordt gediend dient onder de gegeven omstandigheden te prevaleren.
Het hof is voorts na onderzoek gebleken dat de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte berust, nog steeds aanwezig zijn, zodat de beslissing van de rechtbank met overneming van de gronden dient te worden bevestigd.
Naar het oordeel van het hof doet zich niet voor het geval dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat verdachte bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 67a, 69, e.v. van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof bevestigt de beslissing waarvan beroep.
Aldus gegeven op 22 februari 2012 door mrs P. van Kesteren, voorzitter, J.H.C. van Ginhoven en A.W.M. Elders, raadsheren, in tegenwoordigheid van J. Jansen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.