ECLI:NL:GHARN:2012:BV8248

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
15 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
21-000308-07
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 422 SvArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel cocaïnehandel

De veroordeelde stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem waarin hij was veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie. Het hof vernietigde het vonnis en deed opnieuw recht, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld.

Het hof baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het vonnis van de hoofdzaak en het financieel verslag dat daarbij was opgemaakt. De veroordeelde was betrokken bij invoer en verkoop van cocaïne tussen 1 januari 2003 en 13 april 2004. De advocaat-generaal en officier van justitie berekenden het voordeel op basis van moneytransfers, terwijl de verdediging betwistte dat al deze transfers betrekking hadden op de drugshandel.

Het hof ging uit van een verkoopprijs van circa €31.000 per kilo cocaïne en schatte het aantal transporten op 25. De kosten per transport werden berekend en in mindering gebracht op de bruto-opbrengst. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €537.105,00, waarvan de helft werd toegerekend aan de veroordeelde, dus €268.552,50.

Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van drie jaar in de ontnemingsprocedure, werd de betalingsverplichting verminderd met €5.000,00. Het hof legde de veroordeelde de verplichting op om €263.550,00 aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €268.552,50 en legt een betalingsverplichting van €263.550,00 aan de Staat op na korting wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

Parketnummer: 21-000308-07
arrest
GERECHTSHOF ARNHEM
Sector strafrecht
Parketnummer: 21-000308-07
Uitspraak d.d.: 15 februari 2012
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Promis
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van
17 januari 2007 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [1979],
wonende te [woonplaats], de Wellenkamp 1556.
Het hoger beroep
De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 januari 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr C. Maat, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 331.590,00 en tot oplegging van de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 331.590,00 en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling van € 326.590,00 aan de Staat.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij vonnis van rechtbank Arnhem van 13 april 2005 (parketnummer 05-090037-04) terzake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A en B van de Opiumwet gegeven verbod meermalen gepleegd en deelnemen aan een criminele organisatie veroordeeld tot gevangenisstraf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Voor de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof voornoemd vonnis als uitgangspunt en volgt het grotendeels het in het kader van het onderzoek in de aan deze ontnemingsvordering ten grondslag liggende hoofdzaak opgemaakte financieel verslag.1
Veroordeelde is in de hoofdzaak veroordeeld voor de invoer vanuit Curaçao naar Nederland van cocaïne in de periode van 1 januari 2004 tot en met 13 april 2004 en voor de verkoop van cocaïne in Nederland in de periode van 1 januari 2003 tot en met 13 april 2004 en voor de deelname aan een criminele organisatie welke tot oogmerk had de invoer in Nederland van cocaïne en de verkoop van cocaïne in de periode van 1 januari 2004 tot en met 13 april 2004.
De advocaat-generaal berekent evenals de officier van justitie het wederechtelijk voordeel op basis van de abstracte voordeelberekeningsmethode en neemt daarvoor als basis de bedragen die gemoeid waren met de moneytransfers.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat onvoldoende is aangetoond dat al de moneytransfers betrekking hebben op de invoer en verkoop van de cocaïne en dat deze derhalve niet kunnen en mogen dienen als basis voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof oordeelt als volgt.
Veroordeelde heeft ter terechtzitting bij de rechtbank in Arnhem op 20 december 2006 verklaard dat hij met betrekking tot de invoer en verkoop van de cocaïne geen boekhouding heeft bijgehouden2 Het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting op 4 januari 2012 geeft het hof inzicht in de exacte opbrengsten en kosten van de handel in cocaïne of in hetgeen door de veroordeelden individueel werd ontvangen. Het is aan veroordeelde om duidelijk te maken dat de grote hoeveelheid moneytransfers en de daarmee gepaard gaande bedragen gelden betreffen die op legale wijze zijn verkregen. Dit is niet of onvoldoende aannemelijk geworden. Gelet hierop hanteert het hof de abstracte voordeelsberekening en gaat hierbij uit van de moneytransfers.
Bruto-opbrengst
In de periode van 1 januari 2003 tot en met 13 april 2004 is middels moneytransfers vanuit Nederland naar de Nederlandse Antillen overgemaakt een bedrag van € 663.180,00.3 Derhalve kan dit bedrag als bruto wederrechtelijk voordeel worden aangenomen. Er is geen serieus aanknopingspunt voor de veronderstelling dat deze moneytransfers of een deel daarvan (ook) op andere transacties betrekking hadden dan de drugszaken waarvoor veroordeelde is vervolgd.
Aantal transporten
Uit het ingestelde onderzoek zijn een aantal kosten bekend geworden welke gemaakt zijn ten behoeve van de inkoop van cocaïne. Ook is een gemiddelde verkoopprijs voor één kilogram cocaïne vastgesteld. Uit de informatie van de Nationale Recherchedienst en uit ervaringsgegevens van recente onderzoeken binnen de politie Gelderland-Zuid is bekend dat de verkoopprijs voor een kilogram cocaïne voor de tussenhandel gemiddeld € 31.290,00 bedraagt en voor de gebruikers gemiddeld € 40.000,00 . In het voordeel van veroordeelde gaat het hof uit van een verkoopprijs in Nederland van € 31.000,00.
[medeveroordeelde [naam] heeft verklaard dat hij voor € 4000,00 op Curaçao één kilo cocaïne kon kopen.4 Voorts heeft [naam]verklaard dat hij voor de bewerking
€ 500,00 voor de bewerking moest betalen.5
Per kilo cocaïne werd derhalve een brutowinst behaald van € 31.000,000 minus
€ 4.000,00 minus € 500,000 = € 26.500,00.
Uit het onderzoek in de hoofdzaak valt af te leiden dat per transport ongeveer een kilo cocaïne werd vervoerd.6 Op basis hiervan schat het hof het aantal transporten op 663.180 / 26.500 = 25.
Kosten per transport
Uit het ingestelde onderzoek zijn een aantal kosten bekend geworden welke gemaakt zijn ten behoeve van de inkoop van cocaïne.7
Beloning per koerier € 4.000,00
Verblijfskosten € 400,00
Kosten moneytransfer € 93,00
Bemiddelingskosten € 550,00 +/+
Totaal € 5.043,00
Kosten totaal
De kosten gemaakt voor 25 transporten bedraagt 25 maal € 5.043,00 =
€ 126.075,00.
Schatting
Gelet op het bovenstaande schat het hof het door de invoer en de daarop volgende verkoop van de cocaïne verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel op
€ 663.180,00 minus € 126.075,00 = € 537.105,00.
Veroordeelde stelt dat het merendeel van het wederrechtelijk voordeel dient te worden toegerekend aan zijn mededader. Hij heeft echter net zo min als zijn mededader enig inzicht gegeven in hun onderlinge verdeling van het voordeel. In het onherroepelijk vonnis van de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende hoofdzaak van 13 april 2005 is door de rechtbank geen onderscheid gemaakt in de betrokkenheid van veroordeelde en zijn mededader in de bewezen verklaarde feiten. Het hof zal een pondspondsgewijze verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel toepassen tussen veroordeelde en diens medeveroordeelde.
Gelet op het bovenstaande schat het hof het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 537.105,00 / 2 = € 268.552,50
Redelijke termijn
De verdediging heeft gesteld dat er in de ontnemingsprocedure sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 EVRM Pro en dat om die reden een korting zou moeten worden gegeven op, de verplichting tot betaling aan de Staat. De advocaat-generaal heeft zich op het zelfde standpunt gesteld.
Het hoger beroep in deze zaak is ingesteld op 24 januari 2007. De zaak is in hoger beroep behandeld ter terechtzitting van 4 januari 2012, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn inhoudt van drie jaren. Nu deze overschrijding niet te wijten is aan veroordeelde zal het hof de betalingsverplichting met € 5.000,00 verminderen.
Betalingsverplichting
Het hof stelt de verplichting tot betaling aan de Staat op een bedrag van (afgerond)
€ 263.550,00.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van het bewezenverklaarde
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 268.552,50 (tweehonderdachtenzestigduizend vijfhonderdtweeënvijftig euro en vijftig cent).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 263.550,00 (tweehonderddrieenzestigduizend vijfhonderdvijftig euro).
Aldus gewezen door
mr H. Abbink, voorzitter,
mr B.P.J.A.M. van der Pol en mr M.C.J. Groothuizen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr G.W. Jansink, griffier,
en op 15 februari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr M.C.J. Groothuizen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, wordt -tenzij anders vermeld-, bedoeld de dossierpagina's in het doorgenummerde relaas van de verbalisant [verbalisant 1], inspecteur van de politie Gelderland, als opgenomen in het door de voornoemde verbalisant naar waarheid opgemaakte schriftelijk bescheid, te weten de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, van 24 maart 2005, alsmede de daarbij behorende bijlagen in de vorm van processen-verbaal en schriftelijke bescheiden
2 Verklaring van de veroordeelde in het proces-verbaal terechtzitting van de rechtbank Arnhem van 20 december 2006.
3 Dossierpagina 43, punt 4.5.1 van het hiervoor genoemde verslag en bijlage MOT.03, inhoudende een overzicht van de Moneytransfers in de periode 1 januari 2003-13 april 2004, dossierpagina's 961 tot en met 965, van het voornoemde verslag.
4 De verklaring van [medeveroordeelde [naam]] van 27 april 2004 dossierpagina 85, laatste regel, als opgenomen in het proces-verbaal in het door de verbalisanten [verbalisant 3], hoofdagent en [verbalisant 4], agent, beiden op ambtbelofte opgemaakte proces-verbaal van 27 april 2004, opgenomen als bijlage V1.20 bij het voornoemde verslag.
5 De verklaring van [medeveroordeelde [naam]] van 27 april 2004 dossierpagina 84, 3e alinea, als opgenomen in het proces-verbaal in het door de verbalisanten [verbalisant 3], hoofdagent en [verbalisant 4], agent, beiden op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van 27 april 2004, opgenomen als bijlage V1.20 bij het voornoemde verslag
6 Dossierpagina 15. laatste alinea van voornoemd verslag.
7 Dossierpagina 22, eerste alinea van voornoemd verslag