ECLI:NL:GHARN:2012:BV8258
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens appellabiliteitsgrens bij incassozaak met meerdere gedaagden
In deze incassozaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter Zwolle-Lelystad waarin hij als gedaagde werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.450,- plus buitengerechtelijke kosten. De appelgrens van € 1.750,- zoals genoemd in art. 332 lid 1 Rv Pro is relevant voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het hof heeft beoordeeld dat de cumulatie van de vorderingen van geïntimeerde, inclusief de hoofdsom en buitengerechtelijke kosten, uitkomt op € 1.628,50, onder de appelgrens. Proceskosten en nakosten worden niet meegerekend.
Appellant stelde dat de appelgrens niet geldt voor hem omdat hij in eerste aanleg niet was verschenen en het vonnis op grond van art. 140 lid 2 Rv Pro als op tegenspraak gewezen geldt. Het hof verwierp dit standpunt en oordeelde dat ook voor niet verschenen gedaagden bij meerdere gedaagden de appelgrens geldt. Dit is in lijn met de ratio van de appelgrens en het voorkomen van onnodige vertraging en ongelijke uitspraken.
Partijen hadden een regeling getroffen waarbij geïntimeerde zijn vordering tegen appellant introk en zij gezamenlijk verzochten het vonnis te vernietigen. Het hof kon hieraan niet tegemoetkomen vanwege de niet-ontvankelijkheid van appellant in hoger beroep. Het hof compenseerde de proceskosten zodat ieder zijn eigen kosten draagt.
De uitspraak bevestigt dat de appelgrens strikt wordt toegepast, ook bij verstekvonnissen op grond van art. 140 lid 2 Rv Pro, en benadrukt dat de proceskosten niet meetellen bij de bepaling van de appellabiliteit.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het niet overschrijden van de appelgrens.