ECLI:NL:GHARN:2012:BV9969

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
19 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
K11/0399
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beklag wegens fictieve weigering vervolging in burenruzie

Klager deed aangifte van belediging door beklaagde, zijn buurvrouw, naar aanleiding van een langdurige burenruzie. De politie seponeerde de zaak wegens gebrek aan bewijs, waarna klager bezwaar maakte bij het Openbaar Ministerie. Na ruim een jaar zonder reactie van het OM diende klager een beklag in bij het hof wegens fictieve weigering tot vervolging.

Het hof oordeelt dat het langdurig uitblijven van een vervolgingsbeslissing als een fictieve weigering moet worden beschouwd, waardoor klager ontvankelijk is in zijn beklag. Het hof heeft het ambtsbericht van de officier van justitie bestudeerd en overweegt dat het strafrecht in burenruzies met terughoudendheid moet worden toegepast om escalatie te voorkomen.

De officier van justitie heeft het sepot gehandhaafd en het hof sluit zich hierbij aan. Het beklag wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Een verhoor van betrokkenen is niet noodzakelijk geacht. De beschikking is gegeven door het hof Arnhem op 19 maart 2012.

Uitkomst: Het hof wijst het beklag af wegens onvoldoende gronden voor strafrechtelijk ingrijpen.

Uitspraak

K11/0339
Beschikking
inzake
[klager] ,
domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde,
klager,
bijgestaan door mr J.J. Weldam, advocaat te Utrecht,
tegen
[beklaagde]
wonende te [woonplaats],
beklaagde.
Op 25 oktober 2011 is ter griffie van het hof een klaagschrift binnengekomen van klager. Het klaagschrift richt zich tegen de fictieve weigering van de officier van justitie te Utrecht om tegen beklaagde strafvervolging in te stellen.
Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de officier van justitie te Utrecht, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.
Het beklag
Klager heeft op 7 september 2010 aangifte gedaan van belediging, gepleegd door beklaagde tussen 20 november 2009 en 7 september 2010 te Utrecht. Voor wat betreft een weergave van de feiten verwijst het hof naar het aan deze beschikking in kopie gehechte ambtsbericht van de officier van justitie.
Op 30 november 2010 heeft de politie Utrecht de zaak geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Op 22 december 2010 heeft de gemachtigde van klager bezwaar tegen het politiesepot ingediend bij de officier van justitie. Op 10 februari 2011 heeft de gemachtigde gerappelleerd. Vervolgens is op 4 maart 2011 ter griffie van dit hof een brief namens klager binnengekomen, gericht tegen de fictieve weigering om beklaagde te vervolgen. Deze brief is op 8 maart 2011 door het hof doorgestuurd naar de hoofdofficier van justitie te Utrecht met het verzoek de behandeling over te nemen.
De gemachtigde van klager heeft de hoofdofficier van justitie te Utrecht op 25 augustus 2011 nogmaals schriftelijk om een reactie op het bezwaarschrift gevraagd. Uiteindelijk heeft klager op 24 oktober 2011 opnieuw een klaagschrift ingediend bij dit hof.
De ontvankelijkheid van het beklag
Klager kan als rechtstreeks belanghebbende worden beschouwd en is derhalve in zoverre ontvankelijk in zijn beklag.
Beklag ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering is mogelijk tegen een beslissing van de officier van justitie om niet (verder) te vervolgen. Het recht van beklaagde zich tot het hof te wenden zou illusoir zijn als de officier van justitie het nemen van een beslissing telkens kan uitstellen. Het langdurig uitblijven van een vervolgingsbeslissing wordt derhalve beschouwd als een fictieve weigering om (verder) te vervolgen.
Herbeoordeling van een politiesepot door de officier van justitie leidt tot een beslissing omtrent de vervolging van beklaagde. Als klager tegen deze beslissing een klaagschrift ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering indient, is klager in beginsel ontvankelijk in zijn beklag. In dit geval heeft klager, ondanks diverse verzoeken daartoe, na ruim een jaar nog steeds geen enkele reactie van het openbaar ministerie op zijn bezwaarschrift ontvangen. Het hof is van mening, dat hiermee sprake is van een fictieve weigering. Het hof acht klager dan ook ontvankelijk in zijn beklag.
De beoordeling van het beklag
Klager heeft aangifte gedaan van smaad. Zijn buurvrouw, beklaagde, zou zich negatief over hem uitlaten in de buurt en hem regelmatig op discriminerende en beledigende manier benaderen.
De aangifte van klager is het gevolg van een langlopende burenruzie. Beklaagde had al eerder aangifte gedaan tegen klager. De spanningen tussen de buren zijn hoog opgelopen, over en weer worden beschuldigingen geuit. Om verdere escalatie te voorkomen dient het strafrecht in dergelijke gevallen met terughoudendheid te worden toegepast. Daargelaten of er voldoende bewijs voorhanden is om vervolging te rechtvaardigen, is strafrechtelijk ingrijpen in deze omstandigheden niet aangewezen.
De officier van justitie heeft in het ambtsbericht van 24 november 2011 aangegeven de genomen sepotbeslissing juist te vinden. Het hof kan zich hier in vinden.
Uit het voorgaande volgt dat het beklag kennelijk ongegrond is. Daarom kan een verhoor van betrokkenen achterwege blijven. Er wordt beslist als volgt.
Beslissing
Het hof:
Wijst het beklag af.
Deze beschikking is gegeven door mr G. Mintjes, voorzitter, mr R. van den Heuvel en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr N.E. Versloot, griffier, op
en ondertekend door de voorzitter en de griffier.