ECLI:NL:GHARN:2012:BW5316
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- I.A. Katz-Soeterboek
- E.B. Knottnerus
- W. Duitemeijer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgeldigheid overeenkomst tot beëindiging van huurovereenkomst
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of tussen partijen een rechtsgeldige overeenkomst tot beëindiging van de huurovereenkomst was gesloten. Appellant [X] stelde dat partijen op 5 november 2003 een beëindigingsovereenkomst hadden gesloten die de huur zou beëindigen zodra hun zoon een eigen woning betrok. Geïntimeerde [Y] betwistte dit en voerde aan dat zij niet uitdrukkelijk had ingestemd met een concrete beëindiging op dat moment.
Het hof oordeelde dat de brief van 5 november 2003 niet kwalificeert als een beëindigingsovereenkomst conform artikel 7:271 lid 8 BW Pro, omdat het tijdstip van beëindiging afhankelijk was van de verhuizing van de zoon, een onzekere toekomstige gebeurtenis. Ook een vermeende mondelinge instemming bij het ondertekenen van de verkoopopdracht was onvoldoende concreet om als rechtsgeldige beëindiging te gelden.
Het hof verwierp verder het betoog van [X] dat er geen huurovereenkomst zou zijn, omdat de huurprijs niet alle lasten dekte. De wettelijke bescherming van de huurder vereist dat de verhuurder concreet aangeeft wanneer de huurovereenkomst eindigt, wat hier ontbrak. De grieven van [X] faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, waarbij [X] werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst het hoger beroep van [X] af.