12. De man heeft allereerst aangevoerd dat lijfsdwang een ultimum remedium is en dat het middel in het onderhavige geval niet had mogen worden toegepast omdat de vrouw haar vordering voldaan had kunnen krijgen door executoriaal beslag te leggen op de door de man bewoonde woning aan [adres]. De man heeft aangevoerd dat op de woning aan [adres] een hypothecaire schuld rustte van € 400.000,-, maar dat de woning onlangs is getaxeerd op een marktwaarde van € 585.000,- en een executiewaarde van € 495.000,-. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij als productie A bij memorie van grieven een taxatierapport van 25 februari 2011 in het geding gebracht.
13. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De man heeft in eerste aanleg aangegeven dat de WOZ-waarde van de woning
€ 271.000,- was terwijl de daarop rustende hypothecaire schuld € 400.000,- bedroeg.
De voorzieningenrechter heeft op grond daarvan overwogen dat niet gesteld of gebleken is dat een executoriale verkoop van de woning aan [adres] voldoende verhaal biedt.
Het hof, dat in dit kader ex tunc moet oordelen, acht die overweging juist in het licht van de gegevens waarover de voorzieningenrechter destijds beschikte, mede in aanmerking genomen het feit dat de woningmarkt slecht is en een executoriale verkoop veel minder oplevert dan een onderhandse verkoop.
14. De man stelt thans dat executoriale verkoop van zijn woning wel een alternatief was geweest voor lijfsdwang en beroept zich daarbij op een taxatierapport dat reeds op 25 februari 2011 in zijn opdracht is opgesteld en mitsdien al bijna een jaar in zijn bezit was toen de vrouw de kortgedingdagvaarding uitbracht.
De man heeft dat rapport evenwel niet tijdens de procedure in eerste aanleg in het geding gebracht, zodat de voorzieningenrechter niet op basis daarvan aannemelijk kon achten dat de woning in de huidige woningmarkt bij executoriale verkoop voldoende zou opbrengen.
15. De man heeft voorts betoogd dat de vrouw haar vordering voldaan had kunnen krijgen door executoriaal beslag te leggen op zijn aandeel in de door de vrouw bewoonde woning aan [adres], dat hij begroot op € 50.000,-.
Het hof is evenwel met de voorzieningenrechter van oordeel dat van de vrouw niet kan worden verwacht dat zij de woning aan [adres] executoriaal gaat verkopen; enerzijds omdat zij die woning zelf bewoont, anderzijds omdat niet aannemelijk is dat een executoriale verkoop voldoende soulaas zou bieden, nu er een grote achterstand (van ongeveer € 16.000,-) in de betalingen van de hypotheekrente is ontstaan als gevolg van het feit dat de man zijn alimentatieverplichtingen jegens de vrouw niet is nagekomen, er executoriaal beslag op de woning rust alsmede een beslag in verband met een vordering van de [VVE] ter grootte van
€ 16.529,95.