ECLI:NL:GHARN:2012:BX7318
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- C.J. Laurentius-Kooter
- M.H.H.A. Moes
- A.J.H. Blaisse-Ozinga
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek moeder tot gerechtelijke vaststelling vaderschap wegens termijnoverschrijding
De moeder heeft bij de rechtbank verzocht om het vaderschap van de man over haar kind gerechtelijk vast te stellen. Dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de vijfjarige termijn na de geboorte van het kind was ingediend, terwijl de moeder bekend was met de identiteit en verblijfplaats van de man, met wie zij samenwoonde.
In hoger beroep bevestigt het hof deze afwijzing voor het verzoek van de moeder op grond van artikel 1:207 lid 3 BW Pro. Het hof oordeelt echter dat het kind zelf niet aan een termijn is gebonden voor het indienen van een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het hof stelt dat gerechtelijke vaststelling ook mogelijk is na erkenning, mits het kind daarbij belang heeft.
Het belang van het kind wordt in dit geval gezien in erfrechtelijke zin, aangezien het kind anders niet kan delen in de nalatenschap van zijn overleden halfbroer. Het hof besluit de behandeling voort te zetten om ook andere erfgenamen te horen en stelt de bijzonder curator in de gelegenheid om gegevens van deze erfgenamen te overleggen. De beslissing over het verzoek van het kind wordt aangehouden.
Uitkomst: Het verzoek van de moeder tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke termijn.