ECLI:NL:GHARN:2012:BY1267
Gerechtshof Arnhem
- Raadkamer
- A.E. Harteveld
- C.G. Nunnikhoven
- J.H.C. van Ginhoven
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schorsing voorlopige hechtenis na veroordeling in eerste aanleg
In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte behandeld. Verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden. De raadsman van verdachte voerde aan dat verdachte zijn berechting in vrijheid mocht afwachten op grond van artikel 5 EVRM Pro.
Het hof oordeelde dat deze stelling berustte op een misvatting. Na veroordeling in eerste aanleg berust de voorlopige hechtenis niet langer op artikel 5 lid 1 sub c EVRM Pro, maar op artikel 5 lid 1 sub a EVRM Pro, dat de detentie toestaat op grond van een rechterlijke veroordeling. Het feit dat de veroordeling nog niet onherroepelijk is geworden, doet hieraan niet af.
Het hof verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, Wemhoff 1968) ter onderbouwing van deze uitleg. Gelet op deze rechtsgrond en het bepaalde in artikel 80 en Pro volgende van het Wetboek van Strafvordering, concludeerde het hof dat geen reden bestond tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Het verzoek werd daarom afgewezen. Verdachte was, ondanks oproep, niet verschenen bij de raadkamerzitting. De beslissing werd genomen door de drie raadsheren en ondertekend door de voorzitter en griffier.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis is afgewezen; verdachte blijft in detentie.