ECLI:NL:GHARN:2012:BY2853
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- A.W. Steeg
- P.H. van Ginkel
- L.M. Croes
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij vorderingen tegen Duitse bestuurder
In deze civiele zaak vorderden een Nederlandse besloten vennootschap en drie Duitse vennootschappen schadevergoeding van hun voormalige bestuurder, woonachtig in Duitsland, wegens onbehoorlijk bestuur en onrechtmatig handelen. De rechtbank Almelo verklaarde zich onbevoegd om van de vorderingen kennis te nemen, omdat de bestuurder in Duitsland woonachtig is en de vorderingen in het kader van zijn arbeidsovereenkomst en bestuurshandelingen zijn ingesteld.
In hoger beroep stelde het hof vast dat de arbeidsovereenkomst tussen de Nederlandse vennootschap en de bestuurder kwalificeert als een individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst in de zin van de EEX-Verordening. Op grond van artikel 20 lid 1 EEX Pro-Vo is de rechter van de woonplaats van de werknemer bevoegd, in dit geval Duitsland, waardoor de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft.
Ten aanzien van de Duitse vennootschappen oordeelde het hof dat er geen internationaal aspect is, omdat zowel de vennootschappen als de bestuurder in Duitsland gevestigd zijn en de werkzaamheden daar zijn verricht. De vorderingen uit overeenkomst en onrechtmatige daad kunnen daarom niet voor de Nederlandse rechter worden gebracht.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Almelo en veroordeelde de appellanten in de kosten van het hoger beroep. Het verzoek tot opheffing van conservatoire beslagen werd niet behandeld wegens onvoldoende duidelijkheid in de procedure.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen.