ECLI:NL:GHARN:2012:BY3798

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
8 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.103.188
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:400 lid 1 BWArt. 1:401 lid 1 BWArt. 21 RvArt. 22 RvArt. 282 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging onderhoudsbijdrage kinderen na wijziging draagkracht en geregistreerd partnerschap

Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het gezag over twee kinderen. De man verzocht om de alimentatiebijdrage te verlagen naar nihil vanaf juni 2010, terwijl de vrouw incidenteel hoger beroep instelde voor verhoging. Het hof verklaarde het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk omdat dit verzoek voor het eerst in hoger beroep werd gedaan.

Het hof stelde vast dat door het geregistreerd partnerschap van de vrouw met een nieuwe partner, die mede onderhoudsplichtig is, sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. De behoefte aan kinderalimentatie werd erkend op €340 per kind per maand. De draagkracht van de man, vrouw en de nieuwe partner werd uitgebreid onderzocht aan de hand van inkomensgegevens, lasten en schulden.

De man had voldoende draagkracht om €170 per kind per maand te betalen, waarbij de nieuwe partner werd geacht de andere helft te dragen. Het hof wees de terugvordering van teveel betaalde alimentatie af, gelet op het consumptieve karakter en de leeftijd van de kinderen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

De beschikking van de rechtbank Utrecht werd vernietigd en de alimentatiebijdrage van de man werd vastgesteld op €170 per kind per maand met ingang van 1 april 2011, met terugwerkende kracht vanaf de datum van het verzoekschrift. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De man moet vanaf 1 april 2011 €170 per kind per maand betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.103.188
(zaaknummer rechtbank 303712)
beschikking van de familiekamer van 8 november 2012
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen “de man”,
advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg te Den Haag,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen “de vrouw”,
advocaat: mr. P.S. Wibbelink te Delden.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 7 december 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep
2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 maart 2012, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de man in eerste aanleg alsnog toe te wijzen, in die zin dat de kinderalimentatie met ingang van 10 juni 2010, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoek bij de rechtbank (21 maart 2011), wordt vastgesteld op nihil, althans op een bedrag als het hof juist acht, inclusief de verzochte terugbetaling door de vrouw van het door de man teveel betaalde, zoals verzocht in de brief van 28 september 2011, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure in beide instanties.
2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 mei 2012, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft de vrouw tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de bestreden beschikking te bekrachtigen en in het incidenteel hoger beroep om op grond van gewijzigde omstandigheden de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de man vanaf de datum van indiening van het incidenteel hoger beroep, althans vanaf zodanige datum als het hof juist acht, € 369,38 per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van nader te noemen kinderen, dan wel dat de door de man te betalen bijdrage wordt vastgesteld op zodanig bedrag hoger dan € 271,33 per kind per maand, althans wordt vastgesteld op zodanig bedrag als het hof juist acht.
2.3 Daarop heeft de man in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 28 juni 2012, waarin hij het hof verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans het incidenteel hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren, althans haar verzoek in hoger beroep af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure in beide instanties.
2.4 Ter griffie van het hof is op 10 september 2012 binnengekomen een brief van mr. Van Weegberg van dezelfde datum met bijlagen.
2.5 De mondelinge behandeling heeft op 21 september 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3. De vaststaande feiten
Ten aanzien van partijen
3.1 Partijen zijn op 8 juli 1994 met elkaar gehuwd Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 4 juni 2008 heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 15 juli 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:
- [kind 1], op [geboortedatum] 2001, en
- [kind 2], op [geboortedatum] 2005,
over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.3 Bij beschikking van 8 oktober 2008 heeft de rechtbank Almelo, voor zover thans van belang, verstaan dat de man en de vrouw gezamenlijk belast blijven met het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2], bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn, het bedrag dat de man met ingang van 8 oktober 2008 aan de vrouw zal verstrekken als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald op € 253,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2012 ingevolge de wettelijke indexering € 271,33 per kind per maand.
3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op of omstreeks 21 maart 2011, heeft de man verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 8 oktober 2008 te wijzigen in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen met ingang van 10 juni 2010, althans met ingang van de datum van het verzoekschrift, wordt vastgesteld op nihil, althans op een bedrag als de rechtbank juist acht. Ter mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de man zijn verzoek aangevuld en verzocht te bepalen dat het teveel betaalde aan hem zal worden terugbetaald.
3.5 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de man afgewezen en bepaald dat partijen hun eigen proceskosten moeten betalen.
Ten aanzien van de man
3.6 De man is alleenstaand. De man ontving in 2010 en begin 2011 een Ziektewetuitkering. Het belastbaar inkomen uit die Ziektewetuitkering bedraagt volgens de jaaropgaven 2010 en 2011 in die jaren respectievelijk € 22.636,- en € 3.232,-.
Verder ontving de man tot medio januari 2011 een arbeidsongeschiktheidsuitkering van Achmea. Het belastbare inkomen van de man uit deze arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt volgens de jaaropgaven 2010 en 2011 in die jaren respectievelijk € 5.660,- en € 465,-. Voorts ontvangt de man een pensioenuitkering van [x] (verder: [x]). Het belastbare inkomen van de man uit deze pensioenuitkering bedraagt volgens de jaaropgaven 2010 en 2011 in die jaren respectievelijk € 3.148,- en € 3.179,-.
De man ontvangt van het UWV een WAO-uitkering. Deze is gekoppeld aan de pensioenuitkering van [x]. Het belastbare inkomen uit deze WAO- uitkering bedraagt volgens de jaaropgaven 2010 en 2011 in die jaren respectievelijk € 5.555,- en € 5.663,-.
De man werkte van medio januari 2011 tot 18 mei 2012 voor [y] (verder: [y]). Het belastbare inkomen van de man bij [y] bedraagt volgens de jaaropgave 2011 € 30.870,- in dat jaar.
De man werkt sinds 21 mei 2012 bij [z] (verder: [z]). Het inkomen van de man bij [z] bedraagt volgens de salarisspecificaties van juni 2012 tot en met augustus 2012 € 2.039,04 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijk bijdrage ZVW. Daarnaast ontvangt de man een eindejaarsuitkering (Aanspr. December uitk. JR), en volgens de salarisspecificatie van augustus 2012: Rouleringsbijslag, Rouleringsbijslag NSR, Onreg. Bijslag hoog, Onreg. Bijslag laag, Onregelmatigheid vroeg, Onreg. Bijslag Nacht en Compensatie onregelmatigheid.
3.7 De lasten van de man bedragen per maand:
- € 545,- aan huur tot 1 maart 2012;
- € 36,45 aan ziektekosten in 2011:
- € 129,45 premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,
verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW
van € 45,- per maand voor een alleenstaande en de zorgtoeslag van € 48,-.
- € 84,25 aan ziektekosten in 2012:
- € 133,25 premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,
verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW van € 49,- voor een alleenstaande;
- € 40,- aan kosten omgangsregeling.
Ten aanzien van de vrouw
3.8 De vrouw is op 10 juni 2010 een geregistreerd partnerschap aangegaan met [A.] (verder te noemen “[A.]”). Uit de relatie van de vrouw en [A.] is op [geboortedatum] 2009 [B.] geboren, verder te noemen “[B.]”. De vrouw vormt met [A.], [kind 1], [kind 2] en [B.] een gezin.
3.9 De vrouw was tot 13 september 2011 in loondienst bij het [xx] op basis van een parttime dienstverband van 84,21 %. Zij is sedert 15 september 2009 ziek. Met ingang van 13 september 2011 is zij arbeidsongeschikt verklaard naar een percentage van 72. Met ingang van 1 oktober 2011 is zij door het [xx] boventallig verklaard. Tot 13 september 2011 bedroeg het inkomen van de vrouw volgens de salarisspecificaties over de maanden oktober 2010 tot en met december 2010 en over juni 2011 tot en met augustus 2011 € 1.607,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en een bijdrage levensloopregeling werkgever van € 19,- per maand. Het fiscaal loon van de vrouw bedroeg in 2010 € 30.404,-. De vrouw ontvangt met ingang van 13 september 2011 tot 13 juli 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering. Deze bedroeg tot 13 oktober 2011 € 1.813,73 bruto per maand exclusief vakantiegeld. Met ingang van 13 oktober 2011 bedraagt deze € 1.828,22 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag.
3.10 De lasten van de vrouw en [A.] bedragen per maand:
- € 1.636,09 aan hypotheekrente;
- € 218,- aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;
- € 95,- aan overige eigenaarslasten.
Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 1.815,- per jaar.
3.11 De ziektekosten van de vrouw bedragen € 103,- per maand, bestaande uit:
- € 148,31 premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,
verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW
van € 45,- per maand voor een alleenstaande.
Ten aanzien van [A.]
3.12 Uit de relatie van [A.] en [C.], verder te noemen “[C.]”, zijn geboren:
- [D.], op [geboortedatum] 1998, verder te noemen “[D.]”;
- [E.], op [geboortedatum] 2001, verder te noemen “[E.]”.
[A.] heeft [D.] en [E.] erkend. [D.] en [E.] hebben hun gewone verblijfplaats bij [C.].
3.13 Bij convenant van 9 januari 2003 zijn [A.] en [C.], voor zover thans van belang, een co-ouderschapsregeling overeengekomen alsmede een regeling ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. [A.] en [C.] geven thans geen uitvoering (meer) aan de co-ouderschapsregeling. Bij beschikking van 1 juni 2011 heeft de rechtbank Amsterdam bepaald, met dienovereenkomstige wijziging van de alimentatieovereenkomst tussen [A.] en [C.] van 9 januari 2003, dat [A.] met ingang van 1 maart 2010 € 210,- per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [D.] en [E.]. Bij beschikking van 20 maart 2012 heeft het hof Amsterdam, voor zover thans van belang, de beschikking van 1 juni 2011 vernietigd en opnieuw beschikkende, met dienovereenkomstige wijziging van de alimentatieovereenkomst tussen [A.] en [C.] van 9 januari 2003, de door [A.] te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [D.] en [E.] met ingang van 1 maart 2010 bepaald op € 190,- per kind per maand.
3.14 Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van [A.] en [F.], verder te noemen “[F.]” zijn geboren:
- [G.], op [geboortedatum] 2004, verder te noemen “[G.]”, en
- [H.], op [geboortedatum] 2006, verder te noemen “[H.]”.
[A.] en [F.] zijn gezamenlijk belast met het gezag over [G.] en [H.]. [G.] en [H.] verblijven bij [F.].
3.15 Bij echtscheidingsbeschikking van 7 mei 2008 is een door [A.] te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [G.] en [H.] bepaald van € 450,- per kind per maand. Bij beschikking van 1 juni 2011 heeft de rechtbank Amsterdam, voor zover thans van belang, met dienovereenkomstige wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 7 mei 2008, de door [A.] te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [G.] en [H.] bepaald op € 210,- per kind per maand met ingang van 1 december 2009, met dien verstande dat – voor zover [A.] in de periode tussen 1 december 2009 tot 1 juni 2011 meer heeft betaald dan wel op hem is verhaald – de bijdrage tot de datum van de bestreden beschikking wordt bepaald op het bedrag dat [A.] heeft betaald of op hem is verhaald.
Bij beschikking van 20 maart 2012 heeft het hof Amsterdam, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad, met dienovereenkomstige wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 7 mei 2008, de door [A.] bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [G.] en [H.] met ingang van 25 mei 2010 bepaald op € 190,- per kind per maand.
3.16 Het belastbare loon van [A.] bedraagt volgens de jaaropgave 2010 in dat jaar € 58.692,-. Dit belastbare loon vermeerderd met het ingehouden spaarloon bedraagt € 59.304,-.
3.17 De ziektekosten van [A.] bedragen € 95,66 per maand, bestaande uit:
- € 140,66 premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,
verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW
van € 45,- per maand voor een alleenstaande.
4. De motivering van de beslissing
4.1 De vrouw komt bij haar verweerschrift tevens incidenteel in hoger beroep. Haar in dat beroep gedane verzoek om de alimentatie voor [kind 1] en [kind 2] te verhogen wordt voor het eerst in hoger beroep gedaan. Dit is een zelfstandig tegenverzoek dat niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan ingevolge het bepaalde in artikel 362 Rv Pro in verbinding met artikel 282 lid 4 Rv Pro (in geval van oud recht: 429h lid 4 Rv (oud Rv) in verbinding met artikel 429q lid 6 oud Rv). Op grond hiervan is de vrouw in dit verzoek niet-ontvankelijk.
4.2 Voorts is aan de orde de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro. Omdat gebleken is dat de vrouw een geregistreerd partnerschap is aangegaan en haar geregistreerd partner daarmee onderhoudsplichtig is geworden jegens [kind 1] en [kind 2], is er naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.
4.3 De man betwist niet dat behoefte bestaat aan een bijdrage van € 340,- per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2], zodat die behoefte in rechte vaststaat.
4.4 De man stelt dat de vrouw en [A.] ook dienen bij te dragen in deze behoefte van [kind 1] en [kind 2]. Het hof overweegt dat beide ouders en [A.] naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. Het hof zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.
4.5 De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] te betalen. De vrouw betwist dat.
4.6 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.6 en 3.7 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.
4.7 Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt het hof rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting en de door werkgever en uitkeringsinstantie afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
4.8 Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] betreft, houdt het hof evenals de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen in verband met art. 1:400 lid 1 BW Pro aanbevolen draagkrachtpercentage van 70.
4.9 De man stelt in zijn eerste grief dat de rechtbank bij het bepalen van zijn draagkracht is uitgegaan van een te hoog inkomen aan de zijde van de man. Het hof overweegt dat de man in hoger beroep jaaropgaven over 2011 heeft overgelegd. Daarnaast is ter mondelinge behandeling gebleken dat partijen het er over eens zijn dat bij het bepalen van de draagkracht van de man dient te worden uitgegaan van die jaaropgaven. Dit betekent dat de eerste grief van de man in die zin geen verdere bespreking behoeft. Ten aanzien van het inkomen dat de man bij [z] verdient, heeft hij ter mondelinge behandeling gesteld dat de toeslagen zoals vermeld op de salarisspecificatie over de maand augustus 2012 dienen te worden gemiddeld over een periode van drie maanden, nu de man deze toeslagen in juni 2012 en juli 2012 niet ontving. Nu de vrouw ter mondelinge behandeling heeft ingestemd met deze benadering houdt het hof daar eveneens rekening mee. In totaal ontving de man over de maand augustus 2012 € 195,46 aan toeslagen. Dit betekent dat het hof rekening houdt met (€ 195,46/3 =) € 65,15 per maand in verband met toeslagen. Verder houdt het hof rekening met gemiddeld (€ 222,23/3=) € 74,- per maand in verband met zogenaamde Aanspr. Decemberuitk. JR die de man ontvangt, nu dit bedrag uit de cumulatieven van de overgelegde salarisspecificaties blijkt en niet is betwist.
4.8 De man stelt dat hij is verhuisd en dat met ingang van 1 maart 2012 rekening dient te worden gehouden met zijn nieuwe woonlast. De man voert in zijn bij brief van 10 september 2012 overgelegde draagkrachtberekening een woonlast op van € 590,- per maand. De vrouw betwist deze last en voert aan dat de huur slechts € 550,- per maand bedraagt. Met de vrouw is het hof van oordeel dat slechts rekening dient te worden gehouden met een huur van € 550,- per maand, nu uit de door de man overgelegde huurovereenkomst blijkt dat de huur dat bedrag bedraagt en geen rekening wordt gehouden met door de man gestelde, maar niet onderbouwde servicekosten. Gelet op de geringe omvang van de wijziging van de huur met ingang van 1 maart 2012 ziet het hof geen aanleiding om op grond van die wijziging rekening te houden met een nieuwe periode wat betreft de berekening van de draagkracht van de man. Het hof houdt aldus rekening met een huur van € 550,- per maand.
4.10 De man stelt dat met ingang van 1 januari 2012 geen rekening meer dient te worden gehouden met de zorgtoeslag die hij thans nog ontvangt. Hij heeft geen recht op dit bedrag en zal het volgend jaar terug moeten betalen, aldus de man. De vrouw betwist dat en voert aan dat de man geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij geen recht heeft op deze toeslag. Het hof overweegt als volgt. Gelet op het inkomen van de man acht het hof voldoende aannemelijk dat hij geen recht meer heeft op zorgtoeslag. Nu de man de teveel ontvangen toeslag op enig moment zal moeten terugbetalen, houdt het hof met ingang van 1 januari 2012 geen rekening meer met de ontvangen zorgtoeslag.
4.11 De man stelt dat tot april 2012 rekening dient te worden gehouden met de huur van opslagruimte bij Shurgard. Deze opslagruimte had de man nodig voor opslag van zaken ontvangen uit de boedelscheiding. De vrouw betwist dat en voert aan dat de man zich van deze spullen had kunnen ontdoen. Anders dan de man houdt het hof geen rekening met deze kosten. Daartoe overweegt het hof dat de man geen stukken overgelegd heeft ter onderbouwing van deze kosten noch omtrent de noodzaak voldoende gesteld heeft en daar komt bij dat de man zich op andere wijze van de zaken had kunnen ontdoen, bijvoorbeeld door deze te verkopen. Het hof houdt aldus geen rekening met deze maandlast.
4.12 Ten aanzien van de door de man opgevoerde maandlast voor na te noemen schulden stelt het hof voorop dat in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen. Ook kunnen er anderszins onredelijk te achten schulden zijn die de rechter, maar alleen goed gemotiveerd, buiten beschouwing kan laten.
4.13 De man voert een maandlast op van thans € 500,- voor de schuld aan zijn ouders waarvan de hoofdsom op 24 mei 2008 € 3.750,- bedroeg. Daarnaast voert hij maandlast op van € 500,- voor een schuld aan mevrouw [I.] waarvan de hoofdsom op 16 april 2009 € 9.000,- bedroeg. Met de vrouw oordeelt het hof dat de man het bestaan van deze schulden onvoldoende heeft aangetoond. Daarnaast heeft hij de noodzaak voor het aangaan van deze schulden onvoldoende onderbouwd. Voorts heeft de man onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze schulden voorrang dienen te krijgen op de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen waarbij het hof in aanmerking neemt de hoge prioriteit van alimentatie voor een minderjarige die voor zijn onderhoud geheel afhankelijk is van zijn beide ouders en [A.].
4.14 De man voert een maandlast op van € 92,- voor een schuld aan het UWV in verband met teveel ontvangen uitkering in verband met werkloosheid waarvan de hoofdsom op 23 maart 2012 € 549,10 bedroeg. De vrouw betwist deze last. Naar het oordeel van het hof dient geen rekening te worden gehouden met deze last nu de schuld onnodig is gemaakt. Daartoe overweegt het hof dat de man ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij op tijd had doorgegeven aan het UWV dat hij weer een baan had maar dat de uitbetaling van zijn uitkering op dat moment al in gang was gezet. Het hof overweegt dat de man er dus van op de hoogte was dat hij deze uitkering ten onrechte ontving. De man had het teveel ontvangen bedrag daarom tijdelijk opzij kunnen zetten in verband met de te verwachten terugvordering door het UWV. In plaats daarvan heeft hij het opgebruikt. Daarbij neemt het hof in aanmerking de hoge prioriteit van alimentatie voor een minderjarige die voor zijn onderhoud geheel afhankelijk is van zijn beide ouders en [A.].
4.15 Met de opgevoerde last voor de schuld aan de Belastingdienst waarvan de hoofdsom € 2.035,- bedroeg, houdt het hof wel rekening omdat dit nog te betalen belasting betreft als gevolg van een correctie op zijn aangifte inkomstenbelasting 2010. Met de vrouw is het hof van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met afbetaling van de schuld binnen de door de Belastingdienst maximaal daarvoor toegestane termijn van 24 maanden, aldus met een maandlast van (afgerond) € 85,- per maand. Nu de ingangsdatum van de betaling van deze maandlast onduidelijk is maar uit de door de man overgelegde brief van de Belastingdienst van 29 juni 2012 blijkt dat hij in juni 2012 in ieder geval de eerste betaling heeft verricht, houdt het hof met ingang van 21 mei 2012, de datum waarop tevens het inkomen van de man wijzigt, rekening met deze last.
4.16 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uit van de hiervoor onder 3.8 tot en met 3.11 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.
4.17 Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt het hof rekening met de door de uitkeringsinstantie afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De vrouw heeft, naast het kindgebonden budget, recht op de algemene heffingskorting.
4.18 Nu het de vaststelling van de draagkracht van de vrouw voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] betreft, houdt het hof evenals de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen in verband met art. 1:400 lid 1 BW Pro aanbevolen draagkrachtpercentage van 70. Het hof verdeelt de aldus berekende draagkracht gelijk over alle kinderen ([kind 1], [kind 2] en [B.]) voor wie de vrouw onderhoudsplichtig is, nu gesteld noch gebleken is dat die behoefte verschillend is.
4.19 De man stelt in zijn vierde grief dat de rechtbank aan de zijde van de vrouw rekening houdt met een te laag inkomen. Voor zover al sprake is van inkomensverlies bij de vrouw, is dit inkomensverlies verwijtbaar. De vrouw heeft niet aangetoond dat haar inkomensverlies niet voor herstel vatbaar zou zijn en geen enkele onderbouwing van haar medische situatie overgelegd, aldus de man. De vrouw betwist dat. Naar het oordeel van het hof dient deze grief van de man te falen. Daartoe overweegt het hof dat de vrouw haar inkomenssituatie voldoende heeft onderbouwd, onder andere door overlegging van stukken met betrekking tot haar boventalligheid (brief van het [xx] van 30 augustus 2011) en haar re-integratie naar werk en WIA-uitkering (brief van het [xx] van 13 september 2011). Gelet op deze stukken heeft de vrouw bovendien voldoende onderbouwd dat van verwijtbaar inkomensverlies geen sprake kan zijn, nu uit deze stukken blijkt dat zij boventallig is verklaard en dat zij recht heeft op een WIA-uitkering. De vrouw heeft daarnaast ter mondelinge behandeling verklaard dat zij in verband met reuma voor 72% arbeidsongeschikt is verklaard en dat zij bezig is met een re-integratietraject. Gelet op het voorgaande en nu deze grief van de man faalt, houdt het hof, evenals de rechtbank, aan de zijde van de vrouw rekening met het inkomen van € 1.828,22 per maand, inclusief vakantiegeld.
4.20 De man stelt in zijn vijfde grief dat aan de zijde van de vrouw sprake is van een onredelijke woonlast. De vrouw betwist dat. Met de vrouw is het hof van oordeel dat, gelet op zowel haar inkomen als het inkomen van [A.] deze woonlast niet onredelijk is. Nu deze grief van de man faalt, oordeelt het hof met de rechtbank dat de vrouw geen draagkracht heeft voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2].
4.21 Nu het de vaststelling van de draagkracht van [A.] voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van betreft, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen in verband met art. 1:400 lid 1 BW Pro aanbevolen draagkrachtpercentage van 70.
4.22 De man stelt in grief zes tot en met acht, kort gezegd, dat [A.] onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie en dat de rechtbank zijn oordeel omtrent de draagkracht van [A.] niet had mogen baseren op de beschikkingen van het hof Amsterdam van 20 maart 2012 (grief 6), dat van [A.] wel degelijk mag worden verlangd dat hij wijziging van die beschikkingen van het hof Amsterdam verzoekt (grief 7) en dat de rechtbank ten onrechte [kind 1] en [kind 2] tezamen als één kind heeft geteld waardoor de draagkracht van [A.] ten onrechte over zes in plaats van zeven kinderen is verdeeld (grief 8). De vrouw betwist deze stellingen.
4.23 Op de voet van de beschikking van de Hoge Raad van 13 juli 2012 (LJN: BX1295, NJ 2012/498) overweegt het hof als volgt. Indien de rechter niet de beschikking krijgt over de voor de berekening van de draagkracht van de andere ouder van de kinderen uit de andere relatie benodigde gegevens, staat het hem vrij die draagkracht te schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens, en daarbij, gelet op de artikelen 21 en 22 Rv, rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Indien de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter, zonder nader onderzoek naar diens draagkracht, ervan uitgaan dat die andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van die kinderen. [A.] moet naar het oordeel van het hof ten minste in staat worden geacht om in de helft van de behoefte van [kind 1] en [kind 2] te kunnen voorzien. Daartoe overweegt het hof als volgt. Vast is komen te staan dat de vrouw geen draagkracht heeft voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2]. Gebleken is dat in de onderhavige procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep door de man aan de vrouw is verzocht om recente en volledige financiële gegevens van [A.] over te leggen, dat de vrouw aan dat verzoek geen gehoord heeft gegeven en dat zij slechts heeft verwezen naar de financiële gegevens van [A.] zoals deze zijn opgenomen in de hiervoor genoemde beschikkingen van het hof Amsterdam van 20 maart 2012. Met de man is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende inzicht heeft gegeven in de actuele financiële situatie van [A.]. Het hof acht de verwijzing door de vrouw naar de financiële gegevens van [A.] in de beschikkingen van het hof Amsterdam onvoldoende. De in die beschikkingen opgenomen gegevens van [A.] zijn, mede gelet op het tijdsverloop sinds die beschikkingen, onvoldoende om thans de draagkracht van [A.] daarop te kunnen baseren. Bovendien heeft het hof Amsterdam in die beschikkingen de draagkracht van [A.] verdeeld over vijf kinderen, terwijl naar het oordeel van het hof in dit geval dient te worden uitgegaan van verdeling van zijn draagkracht over zeven kinderen (met overigens verschillende behoeftes) nu [A.] voor dat aantal kinderen onderhoudsplichtig is. Nu omtrent [A.] onvoldoende inzicht is verschaft in zijn financiële situatie, komt aan het hof de vrijheid toe om zelf een inschatting te maken van de draagkracht van [A.] en oordeelt het hof aldus dat [A.] in staat moet worden geacht om voor de helft bij te kunnen dragen in de behoefte van [kind 1] en [kind 2], aldus met € 170,- per kind per maand. Gelet op dit oordeel behoeven de zevende en achtste grief van de man geen bespreking meer.
4.24 Nu [A.] wordt geacht voor de helft bij te dragen in de behoefte van [kind 1] en [kind 2], dient slechts te worden beoordeeld of de man in staat is voor de andere helft bij te dragen in die behoefte, aldus met € 170,- per kind per maand. Gelet op hetgeen onder 4.6 tot en met 4.15 is overwogen, heeft de man daarvoor voldoende draagkracht zodat het hof die bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] zal vaststellen.
4.25 Tussen partijen is in geschil de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting. De man stelt dat de wijziging dient in te gaan op 10 juni 2010, nu de vrouw op die datum een geregistreerd partnerschap is aangegaan met [A.]. De vrouw betwist dat. Het hof overweegt als volgt. De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen een behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een voor zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de eerste rechter vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot hetzelfde gevolg. Dit brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met zijn/haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven en, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap moeten geven in de motivering (HR 21 december 2007, LJN: BB4757 en NJ 2008/27). Het hof hanteert als ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het inleidend verzoek nu de vrouw met ingang van die datum rekening kon houden met een wijziging van de onderhoudsbijdrage. Daarbij bepaalt het hof dat op de vrouw ten aanzien van hetgeen de man in het kader van de onderhoudsbijdrage voor [kind 1] en [kind 2] in de periode van 1 april 2011 tot heden teveel heeft betaald of op hem is verhaald, geen terugbetalingsverplichting rust. Gelet op de leeftijd van de kinderen en het consumptieve karakter van de onderhoudsbijdrage dient te worden aangenomen dat de teveel ontvangen bijdragen reeds aan de kinderen zijn uitgegeven.
4.26 De man stelt dat de vrouw dient te worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties omdat zij heeft nagelaten aan de man mede te delen dat zij een geregistreerd partnerschap is aangegaan. De vrouw betwist dat. Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen betreft. Dat de vrouw heeft nagelaten om aan de man mede te delen dat zij met [A.] een geregistreerd partnerschap was aangegaan, doet daar niet aan af.
5. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te beslissen als volgt.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 7 december 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 8 oktober 2008 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 april 2011 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] € 170,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat op de vrouw ten aanzien van hetgeen de man in het kader van de onderhoudsbijdrage voor [kind 1] en [kind 2] in de periode van 1 april 2011 tot heden teveel heeft betaald of op hem is verhaald, geen terugbetalingsverplichting rust;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.P. Balkema, bijgestaan door mr. A.J. Hase als griffier, en is op 8 november 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.