ECLI:NL:GHARN:2012:BY5002
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ontucht met minderjarig kind: bewijs en niet-ontvankelijkheid OM
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor ontucht met zijn minderjarige dochter. Hij stelde hoger beroep in tegen het vonnis en voerde onder meer niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan wegens niet-naleving van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik. Het hof oordeelde dat de niet-ontvankelijkheidsverweren ongegrond zijn, ondanks enkele vormverzuimen zoals het ontbreken van geluidsopnamen en het late opmaken van het proces-verbaal van het informatieve gesprek.
Het hof achtte bewezen dat verdachte in de periode van 3 april 1988 tot en met 3 april 1994 meermalen ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter door haar lichaam, rug, haren, benen, armen, borsten, billen en vagina te betasten. Andere tenlastegelegde gedragingen werden niet bewezen verklaard en verdachte werd daarvan vrijgesproken.
Gezien de ernst van de feiten, de lange tijd sinds het plegen ervan, het beperkte aantal bewezen handelingen en het ontbreken van eerdere veroordelingen, achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. Ook een voorwaardelijke gevangenisstraf werd niet opgelegd vanwege het ontbreken van recidivegevaar. Het hof veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 180 uur, met een vervangende hechtenis van 60 dagen bij niet-naleving.
Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht, waarbij het bewijs en de strafoplegging werden herzien. De niet-ontvankelijkheidsverweren werden verworpen, mede omdat de verdediging voldoende gelegenheid had gehad om de aangeefster te ondervragen en de vormverzuimen niet tot schending van haar belangen leidden.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur wegens ontucht met zijn minderjarige dochter, niet-ontvankelijkheidsverweren verworpen.