ECLI:NL:GHARN:2012:BY7681

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
19 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
P12/0354
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38e SrArt. 67 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlenging terbeschikkingstelling wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Het gerechtshof Arnhem heeft op 19 november 2012 het beroep behandeld tegen de beslissing van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 augustus 2012, waarin de terbeschikkingstelling (TBS) van de terbeschikkinggestelde werd verlengd met twee jaar.

De terbeschikkinggestelde was veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gepleegd op 12 februari 1967 te Eindhoven, waarbij hij het slachtoffer tegen haar wil vastgreep en ontuchtig met een vinger aanraakte, hetgeen het hof kwalificeerde als een geweldsmisdrijf in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht. De TBS-maatregel is daarom niet gemaximeerd en kan in beginsel worden verlengd.

Tijdens de zitting op 5 november 2012 werd onder meer het reclasseringsadvies besproken dat de verlenging met twee jaar noodzakelijk acht vanwege de benodigde gedragsverandering en de tijd die daarvoor nodig is. De terbeschikkinggestelde verzocht om een beperking van de verlenging tot één jaar om onbegeleid verlof te kunnen verkrijgen, maar het hof oordeelde dat de rechtbank de juiste beslissing had genomen.

Het hof bevestigde de beslissing van de rechtbank en nam de motieven over, waarbij het tevens opmerkte dat de maatregel van TBS in dit geval passend en noodzakelijk is gezien de ernst van het delict en de noodzaak tot langdurige behandeling.

Uitkomst: Het hof bevestigt de verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid als geweldsmisdrijf.

Uitspraak

TBS P12/0354
Beslissing d.d. 19 november 2012
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende in [instelling] te [plaats].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 augustus 2012, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
- de processen-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
- de beslissing waarvan beroep;
- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 13 augustus 2012;
- het voortgangsverslag TBS van Reclassering Nederland van 24 augustus 2012, opgemaakt door [reclasseringswerker], reclasseringswerker;
- het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 8 oktober 2012, opgemaakt door [reclasseringswerker], reclasseringswerker;
- het voortgangsverslag TBS van Reclassering Nederland van 14 oktober 2012, opgemaakt door [reclasseringswerker], reclasseringswerker;
- het faxbericht van mr C.F. Korvinus van 2 november 2012, gericht aan de voorzitter van de penitentiaire kamer van het hof.
Het hof heeft ter zitting van 5 november 2012 gehoord de terbeschikkinggestelde, zijn raadsman, mr C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal, mr G.J. de Haas.
Overwegingen
Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman
Het gaat goed met de terbeschikkinggestelde. De terbeschikkinggestelde is sinds kort verloofd met zijn vriendin, die ook in de [instelling] verblijft en met wie hij wil gaan samenwonen op het terrein van de [instelling]. Hij wil graag met onbegeleid verlof, maar dat is pas mogelijk indien het behandelteam van de [instelling] daarmee instemt.
De terbeschikkinggestelde en zijn raadsman hebben verzocht de verlengingstermijn te beperken tot één jaar, zodat de komende verlengingszitting de stand van zaken met betrekking tot het onbegeleid verlof kan worden bezien.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat het motiveringsvoorschrift van artikel 359, zevende lid van het Wetboek van Strafvordering nog niet gold ten tijde van het opleggen van de tbr-maatregel. Derhalve behoefde de strafrechter zich bij het opleggen van de terbeschikkingstelling niet uit te laten over de vraag of er sprake was van een geweldsdelict. Subsidiair is het blijkens de bewezenverklaring, de kwalificatie en de motivering van de oplegging van de maatregel, in onderling verband en samenhang bezien, volgens de advocaat-generaal evident dat sprake is van een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Het hof heeft de verpleging van overheidswege nog niet zo lang geleden, namelijk op 10 juni 2011, voorwaardelijk beëindigd. Onder verwijzing naar het advies van de reclassering heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat verlenging met twee jaar geboden is, nu de stappen die nog genomen moeten worden de nodige tijd vergen en gedragsverandering bij betrokkene gedurende langere tijd bestendigd dient te worden. Daarom heeft de advocaat-generaal voorgesteld de beslissing van de rechtbank te bevestigen.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd.
Bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 6 december 1967, waarbij door het hof het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 september 1967 is bevestigd, is de maatregel van terbeschikkingstelling van de regering opgelegd vanwege feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Door het hof is bewezenverklaard dat verdachte op 12 februari 1967 te Eindhoven gewelddadig [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] tegen haar wil heeft vastgegrepen en tegen zich aangedrukt en heeft gedwongen te dulden dat hij haar opzettelijk ontuchtig met een vinger bevoelde in haar blote vrouwelijkheid.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de in het bevestigde vonnis opgenomen overweging dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij ongeveer één minuut lang met zijn vinger in de vrouwelijkheid van dat meisje is geweest, alsmede dat dat meisje, toen hij met zijn vinger in haar vrouwelijkheid ging, heel hard begon te huilen; dat, toen hij zijn vinger uit haar vrouwelijkheid haalde, hij zag dat er bloed uit haar vrouwelijkheid vloeide. Dit levert naar het oordeel van het hof een geweldsmisdrijf op als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht. Aldus is het hof van oordeel dat er in dit geval sprake is van een niet gemaximeerde en in beginsel verlengbare terbeschikkingstelling.
Beslissing
Het hof:
Bevestigt de beslissing van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 augustus 2012 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].
Aldus gedaan door
mr A.J. Smit als voorzitter,
mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr J.P. Bordes als raadsheren,
en drs. T. van Iersel en prof. dr. B.C.M. Raes als raden,
in tegenwoordigheid van mr I.H.A. Bijl als griffier,
en op 19 november 2012 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.