Art. 8 lid 1 Verordening Brussel IIbisArt. 13 Verordening Brussel IIbisArt. 1:261 lid 1 BWArt. 6 lid 1 Wet op de jeugdzorg
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake machtiging uithuisplaatsing kinderen met verblijfplaatsdiscussie
In deze zaak staat centraal de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen over de machtiging tot uithuisplaatsing van vijf minderjarige kinderen. De ouders betwisten dit en stellen dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in België of Marokko ligt. Het hof oordeelt dat op het moment van het inleidende verzoekschrift op 16 november 2011 de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, gelet op hun feitelijke woonplaats, schoolbezoek en sociale integratie.
De ouders zijn pas op 27 december 2011 naar Marokko verhuisd, na het indienen van het verzoek. Ook op de datum van de crisismachtiging tot uithuisplaatsing op 27 augustus 2011 bevonden de kinderen zich in Nederland, zodat de Nederlandse rechter op grond van artikel 13 vanPro Verordening Brussel IIbis bevoegd was. Het hof baseert zich op feiten zoals de woonomstandigheden, schoolgang, taalgebruik en hulpverlening.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter van 23 mei 2012 die de machtigingen tot uithuisplaatsing verlengt. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, de kinderen zijn in Nederland geboren of hebben daar hun eerste levensjaren doorgebracht en spreken Nederlands. De uitspraak bevestigt de toepassing van het begrip gewone verblijfplaats als feitelijk begrip en de bevoegdheid van Nederlandse gerechten in familiezaken onder Brussel IIbis.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter en bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter voor de machtiging tot uithuisplaatsing.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.111.536
(zaaknummer rechtbank 315026 / JE RK 11-2884)
beschikking van de familiekamer van 22 november 2012
inzake
[appellant]
verder te noemen “de vader”,
en
[appellante],
verder te noemen “de moeder”,
samen verder te noemen “de ouders”,
beiden wonende te [Woonplaats], Marokko,
advocaat: mr. H.G.J. Ligtenberg te Utrecht,
en
Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Utrecht,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen “de raad”.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,
gevestigd te Utrecht,
verder te noemen “de stichting”.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 24 november 2011 en 23 mei 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 13 augustus 2012, zijn de ouders in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 23 mei 2012. Zij verzoeken het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de rechtbank te Utrecht onbevoegd te verklaren tot kennisneming van verzoeken hun kinderen betreffende, al dan niet onder verwijzing naar het bevoegde gerecht te [Woonplaats], Marokko.
2.2 De raad heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.
2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:
- op 30 augustus 2012 een brief van mr. Ligtenberg van 28 augustus 2012 met bijlagen.
- op 4 oktober 2012 een brief van de stichting van diezelfde datum met bijlagen;
- op 5 oktober 2012 een brief van de raad van 4 oktober 2012 met bijlagen;
- op 10 oktober 2012 een brief van mr. Ligtenberg van 8 oktober 2012 met bijlagen;
- op 12 oktober 2012 een faxbericht van de stichting van diezelfde datum met een bijlage;
- op 15 oktober 2012 een faxbericht van de stichting van diezelfde datum met bijlagen.
2.4 De mondelinge behandeling heeft op 16 oktober 2012 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens de raad is R. van Weegen verschenen. Namens de stichting zijn verschenen H.M. Bijlsma, teammanager, en M. Groen, teammanager.
2.5 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”
2.6 Desgevraagd hebben mr. Ligtenberg, de raad en de stichting over en weer ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende hebben kennisgenomen van de brief van 8 oktober 2012 met bijlagen en de twee faxberichten van 12 respectievelijk 15 oktober 2012 met bijlagen, dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemmen met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.
3. De vaststaande feiten
3.1 Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren:
- [Minderjarige 1], verder te noemen “[Minderjarige 1]”, op [geboortedatum] 2002;
- [Minderjarige 2], verder te noemen “[Minderjarige 2]”, op [geboortedatum] 2005;
-[Minderjarige 3], verder te noemen “[Minderjarige 3]”, op [geboortedatum] 2008;
- [M[Minderjarige 4], verder te noemen “[Minderjarige 4]”, op [geboortedatum] 2010 en
- [Minderjarige 5], geboren in 2012.
[Minderjarige 1], [Minderjarige 2], [Minderjarige 3] en [Minderjarige 4] worden hierna gezamenlijk ook “de kinderen” genoemd.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
3.2 Bij beschikking van 27 augustus 2011 heeft de kinderrechter, op verzoek van de raad, de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van drie maanden tot 27 november 2011 en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend voor de duur van vier weken tot 24 september 2011.
3.3 Bij beschikking van 6 september 2011 heeft de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd met ingang van 24 september 2011 tot 27 november 2011.
3.4 De stichting heeft op 1 november 2011 indicatiebesluiten ten aanzien van de kinderen genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 vanPro de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen “WJZ”).
3.5 Bij beschikking van 24 november 2011 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van een jaar, tot 24 november 2012.
3.6 Bij beschikking van 24 november 2011 heeft de kinderrechter machtigingen tot uithuisplaatsing van [Minderjarige 1] en [Minderjarige 2] in een voorziening voor verblijf accommodatie 24-uurs, zoals bedoeld in de indicatiebesluiten van 1 november 2011, verleend tot 24 mei 2012 en machtigingen tot uithuisplaatsing van [Minderjarige 3] en [Minderjarige 4] in een voorziening voor verblijf pleeggezin 24-uurs, zoals bedoeld in de desbetreffende indicatiebesluiten van 1 november 2011, verleend tot 24 mei 2012 en voor het overige het verzoek aangehouden.
3.7 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de machtigingen tot uithuisplaatsing van [Minderjarige 1] en [Minderjarige 2] in een voorziening voor verblijf accommodatie 24-uurs, zoals bedoeld in de indicatiebesluiten van 1 november 2011, verlengd tot 24 november 2012 en de machtigingen tot uithuisplaatsing van [Minderjarige 3] en [Minderjarige 4] in een voorziening voor verblijf pleeggezin 24-uurs, zoals bedoeld in de betreffende indicatiebesluiten van 1 november 2011, verlengd tot 24 november 2012.
3.8 [Minderjarige 1] en [Minderjarige 2] zijn samen op 29 augustus 2011 in een crisispleeggezin geplaatst en [Minderjarige 3] en [Minderjarige 4] zijn eveneens samen op 29 augustus 2011 in een crisispleeggezin geplaatst. [Minderjarige 1] en [Minderjarige 2] verblijven sinds 6 juli 2012 samen in een perspectiefbiedend pleeggezin. [Minderjarige 3] en [Minderjarige 4] verblijven sinds 10 april 2012 samen in een perspectiefbiedend pleeggezin.
4. De motivering van de beslissing
4.1 De ouders betwisten - kort gezegd - dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over de machtiging uithuisplaatsing te beslissen. De grondslag van de bevoegdheid van de rechtbank, zoals deze vanaf 27 augustus 2011 door de betrokken partijen en de rechtbank is aangenomen, bestaat niet. De ouders stellen primair dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in België is gelegen, maar gelet op de wijziging van de verblijfplaats van de ouders, nu in Marokko moet worden gezocht.
4.2 Het hof overweegt dat ingevolge artikel 8 vanPro Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (verder te noemen “Verordening Brussel IIbis”), bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
4.3 Ingevolge de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 2 april 2009, NJ 2009/457, moet het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van een kind aldus worden uitgelegd dat dit de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het kind naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat.
4.4 Het hof overweegt dat de ‘gewone verblijfplaats’ een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval.
4.5 Naar het oordeel van het hof ligt de vraag voor of de kinderen, op het tijdstip waarop het inleidende verzoekschrift tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing ingevolge artikel 1:261 lid 1 BWPro bij de rechtbank werd ingediend, te weten 16 november 2011, hun gewone verblijfplaats in de zin van artikel 8 lid 1 VerordeningPro Brussel IIbis in Nederland hadden. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder de Tsjechische. De ouders zijn op 23 februari 2001 met elkaar gehuwd te Utrecht. De kinderen hebben allen de Nederlandse nationaliteit en spreken goed Nederlands. [Minderjarige 1] en [Minderjarige 2] zijn ook in Nederland geboren en hebben hun eerste levensjaren in Nederland gewoond. Na de verhuizing van de ouders in 2006 naar België zijn [Minderjarige 3] en [Minderjarige 4] geboren. Het gezin heeft in België gewoond totdat hun woning op 3 mei 2011 onbewoonbaar is verklaard. Het gezin verbleef vanaf juni 2011 in De Meern, gemeente Utrecht in een éénkamer-woning boven een garage, zodat ten tijde van het indienen van het inleidende verzoekschrift van de raad, de kinderen al vijf maanden in Nederland woonden. De kinderen gingen ook in Nederland naar school. Daarnaast is in Nederland intensieve hulpverlening gestart. In het raadsrapport van 14 november 2011 is ook te lezen dat de moeder en de vader hebben verklaard dat zij graag een woning in Nederland willen. Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat uit voormeld raadsrapport blijkt dat de moeder heeft verklaard dat het gezin naar Nederland is verhuisd om te kijken of de kinderen in Nederland weer beter zouden worden, nadat het gezin in de onbewoonbaar verklaarde woning in België ziek was geworden. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling het voorgaande bevestigd. Tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof is ook duidelijk geworden dat de ouders pas op 27 december 2011 naar Marokko zijn verhuisd, dus na de datum van de indiening van het inleidende verzoekschrift. Hoewel de ouders anders betogen, zijn uit de stukken en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling voldoende feiten en omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland op 16 november 2011. Dit brengt mee dat de Nederlandse rechter in de onderhavige zaak op grond van artikel 8 lid 1 VerordeningPro Brussel IIbis bevoegd is.
4.6 Ook voor zover de ouders stellen dat bepalend is voor de grondslag van de bevoegdheid van de rechtbank de gewone verblijfplaats van de kinderen op 27 augustus 2011, zijnde de datum waarop de raad een crisismachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen heeft verzocht bij de rechtbank, is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter in elk geval bevoegd was ingevolge artikel 13 VerordeningPro Brussel IIbis van dit verzoek van de raad kennis te nemen, nu op basis van de stukken duidelijk is dat de kinderen zich op dat moment in Nederland bevonden en de ouders onvoldoende aannemelijk gemaakt hebben waar de kinderen op dat moment hun gewone verblijfplaats hadden anders dan in Nederland, zodat de Nederlandse rechter in elk geval bevoegd was ingevolge artikel 13 VerordeningPro Brussel IIbis van het verzoek van de raad kennis te nemen.
4.7 Uit het voorgaande volgt dat het hof de beschikking dient te bekrachtigen.
5. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 23 mei 2012.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Rijken, I.A. Katz-Soeterboek en A. Roelvink-Verhoeff, bijgestaan door mr. W. Nagelhout als griffier, en is op 22 november 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.