Belanghebbende had in 2007 een perceel met een boerderij waarop hij een nieuwe woning wilde bouwen. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een woning in aanbouw in de zin van artikel 3.111, derde lid, Wet IB 2001, waardoor hypotheekrenteaftrek mogelijk was. Dit was gebaseerd op het verkrijgen van een bouwvergunning eerste fase in 2007 en de aanvraag van de tweede fase, plus voorbereidingshandelingen.
De Inspecteur ging in hoger beroep en stelde dat de feitelijke bouwactiviteiten pas in 2008 begonnen en dat administratieve voorbereidingen niet gelijkstaan aan een woning in aanbouw. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat er in 2007 sprake was van een woning in aanbouw, omdat de bouw nog niet was gestart en alleen administratieve handelingen waren verricht.
Het hof vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en bevestigde de uitspraak van de Inspecteur, waarmee de hypotheekrenteaftrek voor 2007 werd afgewezen. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend in hoger beroep.